Aan barrels van Harry Vaandrager
Recensie door Ezra de Haan (10 januari 2012)

Praten of schrijven over echte literatuur is zeldzaam geworden sinds ons literaire landschap wordt bepaald door verkoopcijfers, bekende Nederlanders en valse sentimenten. Want wat is literatuur nog in dit land? Het uithuilen over de zoveelste gestorven beroemde minnaar? De volgende soap van een televisiester? Wat wil er nog groeien aan nieuw talent als thrillers voor literair doorgaan en echte romans worden verzwegen? Deze tijd vraagt om taai schrijfsel, stug als gras dat zich door het asfalt heen wringt. Taal die je voor de bek slaat, zoals ooit de echt groten dat deden…

Harry Vaandrager debuteerde in 1978 met Langs toendra’s, een titel die je aan ijzige koude en uitgestrekte vlakten doet denken. En stilte. Het duurde dan ook jaren voordat hij weer van zich liet horen. Pas in 2010 verscheen zijn gedichtenbundel Wat telt is van niets gemaakt1. Een jaar later debuteert hij met proza. Aan barrels is een roman in monologen, veel wit en met een inktzwarte omslag.

Zelden durft een uitgever een boek uit te brengen dat zwart is. Zolang je Aan barrels niet openslaat zijn het alleen de witte letters op de cover die je lucht geven. Maar het kon niet anders. Dit boek is zwart, pikzwart, pitblack. Het is een verpakking die de lading dekt.

In Aan barrels stap je in een wereld waar je normaal liever buiten blijft. Vaandrager sleept je eerst de cel in en vervolgens de koppen in van de criminelen die daar zitten. Hij sluit je op in de duistere, donkere wereld van hun gedachten. Je leert te denken en te spreken in hun taal. Het zijn woorden uit het Bargoens maar ook vruchten die zijn ontsproten aan de geest die Vaandrager heet. Neologismen of letterlijke vertalingen of verbuigingen van woorden uit het Slang. Hier is een taalvirtuoos aan de gang die nu eens niet het barokke navolgt maar het kale, niets ontziende. Niet voor niets citeert hij Samuel Beckett. Zelf moet ik erg aan William Faulkner denken bij het lezen van deze roman. Het procedé van elk hoofdstuk een andere stem, een ander personage, innerlijke monologen die je bij de strot grijpen… De vraag die dan ook meteen opkomt is of Vaandrager zich niet gaat vertillen. Er zit niets anders op dan hem te volgen in de donkere krochten van zijn cellenblok.

Eenmaal binnen in de cel van Vaandrager word je afgewezen. Sodemieter op zeg de auteur, en dat in vele bewoordingen. Het is nee en het blijft Nee. Alleen wie karakter heeft komt erin. Pas als je pagina negen uit hebt mag je naar ‘Marc’. ‘Marc’ is een van de negen hoofdstukken die het boek telt waarin een mens zijn gedachten en leven met je deelt. Bij het schrijven van het woord mens twijfelde ik even. De beesten die we leren kennen in dit boek, verdienen ze dit predicaat ‘mens’? Denkend aan Malraux’ Het menselijk tekort kon ik er vrede mee hebben. Marc is een van het gajes waarover we lezen en via hem leren we de andere criminelen kennen. Tom zit voor meervoudige verkrachting en is een donswerker (het mooiste woord in dit boek), Peter is een killer. Victor is ‘gesnopen met een paar kilo bruin in de koffer toen hij een broodje bal ging scoren en zijn auto foutief geparkeerd had. Victor denkt alles in de klauw te hebben, alleen omdat ie toevallig een paar boekies gelezen heeft.’ Niemand van hen heeft minder dan zeven jaar zitten aan zijn broek.

Had Vaandrager het bij deze heren gelaten dan was het boek zeker door zijn veren gezakt. Gelukkig komen er ook anderen in voor. Niet alleen de moeder van Marc krijgt een stem maar ook vriendinnen van de anderen en zelfs een ongeboren kind.

In tegenstelling tot de true crime die zo populair is geworden onder het grote publiek, bedient Vaandrager zich van een taalspectrum dat creatief is. Hij leent, of laat ik het maar wat platter zeggen, hij jat alles bij elkaar wat hij voor dit boek gebruiken kan. Ieder citaat, elke zin, of het nu van denkers, schrijvers of dichters komt, het dondert hem niet. Elk stuk graniet dat hij nodig heeft voor dit labyrint, wordt geklauwd. Neem deze Wittgenstein van Vaandrager: Er schijnt een denker te zijn geweest die zei dat waar je niet over kunt lullen, je daarover je muil moet houden. Duidelijk toch? Door hoogstaande gedachten te mixen met de denkwereld van de goot ontstaat regelmatig een explosief brouwsel. De praat van Marc over vrouwen is verderfelijk. Maar je weet wel waar je aan toe bent. Hier geen mooipraat om te vergoelijken maar rechttoe-rechtaan de waarheid op tafel gooien. Marc spreekt zo:

En maar raggen dan. Heb ze niet voor niets uit Hongarije gehaald. Komt goeie handel vandaan. Ook uit Roemenië trouwens. Eer je het weet heb je een wagen vol gleuven. Voor een krats. Zou er zo weer heen willen tuffen.

Het mag duidelijk zijn. Vaandrager gaat de lezer niet over de bol aaien. In staccato laat hij zijn personages denken. Via de gedachten van de een leren we ook de anderen kennen, althans hoe hij of zij hem ziet. Want wat waarheid is in deze roman is zeer de vraag. Deze beroepscriminelen zijn immers gepokt en gemazeld in het belazeren van anderen en ook zichzelf. Vaandrager heeft een duidelijke kijk op wat schrijven is. Marc vertelt het ons.

Ben bang dat ie literatuur had willen koken. Met een heuse plot, kop en staart. Heel beschaafd. No way bij mij. De bevlieging is ontstaan nadat hij bij een of andere dooie Franse dichter had gelezen dat goede verhalen voortvloeien uit zonde.

Terwijl Vaandrager ons aan de haren door zijn kerkers heen sleurt komen we niet alleen mensen tegen maar ook de taal. De zware jongens in het boek hebben besloten een bezem door het woordenboek te halen. Alle woorden met gebrek aan humor en passie gaan eruit. Ieder woord zonder bokshandschoenen. ‘Alle woorden met linkerbenen. Mietjeswoorden. Parfumwoorden. Woorden als verzopen vissen.’ Met deze opsomming elimineert Harry Vaandrager het vocabulaire waarvan hij zich niet langer wil bedienen. Wat rest zijn strakke, harde woorden, lekkere zinnen waarmee je iemand te lijf kunt gaan. Neem een zin als: ‘Het stormt in zijn brein.’ of ‘Robs kast ligt tussen het houtejassenpark en de Vietnamees.’ Metaforen komen niet voor in dit boek. De taal is van zichzelf al sterk genoeg. Marc, dus Vaandrager, schrijft:

Verzuren in een plot, wil je niet. Schrijven is voor angsthazen. Voor bangeriken, die zich verschuilen achter personages en vergelijkingen. De woordjes ‘als’ en ‘zoals’, moeten de container in.

En Vaandrager kan ook zonder die tierelantijnen, hij schrijft met vaart, plakt er een citaat van Miller, Rimbaud of Jagger tussen en gunt je geen moment om je daarvan bewust te zijn. Zozeer is zijn proza met dat van anderen verweven. Het gaat er in dit boek ook niet om waar Abraham de mosterd vandaan heeft gehaald. Aan barrels is een experiment. Vaandrager wil kijken hoe ver hij kan gaan als schrijver. Hij wil zien of hij zich kan verplaatsen in het denken van een pedofiel, de moeder van een crimineel, een slimme hoer of een ongeboren kind. Samen met de lezer passeert hij de grenzen van het betamelijke en beginnen we mensen te begrijpen die niet te begrijpen zijn. Met ieder hoofdstuk sneuvelen er weer woorden, net zo lang tot we uitkomen bij het begin. Of het eind, net wat u wilt. ‘Andreas’ is het sluitstuk van dit epos, hier heeft Vaandrager al zijn kunnen ingezet om het denken en voelen van de nog ongeboren vrucht in woorden om te zetten. Het vormt een moment van rust na de vele pagina’s van verbaal geweld. Vaandrager omschrijft het als volgt: Een leeg woordenboek mijn ingebeelde wereld. Niet alleen geven deze woorden het denken van Andreas weer, het refereert ook aan de onttakeling van het dictionaire door iedere ‘inmate’. Met ‘Andreas’ begint het boek opnieuw. Hij zegt:

Luister, ik ben geboren na mijn dood. In de oester van volzinnen. Ik heb dus recht van spreken. Luister naar mijn dode taal. Wees desnoods een prooi van de tijd.

Het boek eindigt met het woord niets. Een ontkenning, net zoals het woord nee waarmee het opende. Weer wordt de celdeur voor je smoel dicht gegooid. Maar nu is er een verschil. Je hebt een prachtboek van Vaandrager achter de kiezen, een boek waar je lang over na kunt denken. Net zolang als je straf duurt. In dit geval is dat geen straf maar een zegen.