Angel van Tsead Bruinja
Recensie door Ezra de Haan (13 januari 2009)

Vaak is de krant slechts geschikt voor de vis van morgen. De bundel Angel van Tsead Bruinja bewijst dat het tegendeel ook mogelijk is. Verschenen in krantvorm zal zijn poëzie krachtig genoeg zijn om desondanks te overleven. In Angel bouwt Bruinja zijn tweetalige oeuvre uit op de vanzelfsprekende wijze die hem eigen is. Hoogstens is er nu meer sprake van woede dan in zijn vorige bundels…

Het spel met de taal begint al bij de titel. Je denkt bij Angel eerder aan een haak, de tong van een slang, een doorn, het stekende orgaan van een wesp of iets dat grieft zoals de angel der smart of het spitse ondereind van een mes, vijl of boor. Wie Fries of Duits spreekt, denkt meteen aan het woord hengel. Die wordt dan ook twee maal uitgeworpen op pagina 11 in een gedicht waarin veel van de bovengenoemde begrippen voorkomen. Niet alleen de hengel en de haak maar ook het grieven.

De bundel bestaat uit de delen: ‘Laat de onderhandelingen beginnen’,’ Het boek en de dood’, ‘Nee er is geen land om trots op te zijn’, ‘Een hiernamaals niet kunnen bedenken’, ‘Aan wat probeer ik zo traag en laks te ontkomen?’ en ‘Open’.

De woorden die Tsead Bruinja ons in Angel voorzet lijken karig. Naarmate je langer leest, kom je tot inzicht dat die gedachte een misvatting is. Die weinige woorden zijn goed doordacht en staan op hun plek. Een strofe lijkt op zich vaak al een gedicht. Meerdere strofen tezamen vormen een stevig bouwwerk dat op klank, beeld en gedachten is gebaseerd. De vorm wisselt. Een gedicht als ‘Vrede Kaak Laars Vrede’ bestaat uit niet meer dan twee keer dezelfde zelfstandige naamwoorden. ‘Martijn was een Hollandse schlemiel uit Zwaagwesteinde’ is een parlando gedicht, schrijnend in al zijn niets onziende eerlijkheid en door de opsommingen, alsof Bruinja het gebeurde en de ‘schuldigen’ met de vinger aanwijst.

En daarmee komen we bij de angel in deze bundel van Tsead Bruinja. Het gaat om schuld en het schuldig zijn, om de vraag of we onderdrukker of onderdaan zijn. In ‘Laat de onderhandelingen beginnen’ sijpelt het kwaad langzaam de nog poëtische wereld van Bruinja binnen. De rand van de wereld is scheermesscherp en bloed zit aan zijn vingers. In een volgend gedicht klinkt het woord moord. Bruinja twijfelt aan zijn eigen woorden in ‘Het had familie geweest kunnen zijn’. In ‘De wind gaat koud’ komt ook de oorlog en wat opa deed voorbij. Hij schrijft over het zwijgen als je spreken moet, maar er te bang voor bent en over de kiezen vijlen tot ze glad zijn. Met ieder gedicht lijkt Bruinja verder te willen gaan.

‘Het boek en de dood’ is een korte reeks gedichten waarin Schuld en de dood een belangrijke rol spelen. Schuld is een personage die weet dat de dood hem wacht. De dood heeft een band met Schuld. Beiden zetten ze Bruinja aan het werk om wellicht het boek Angel te schrijven.

‘Nee er is geen land om trots op te zijn’ is een statement. Meteen moet je aan de perfide politieke partij TON denken. Niet het eerste onderwerp waarover dichters schrijven. Maar Bruinja doet dit, schetst een wereld vol friendly fire en collateral damage, vraagt zich af wat hij zou doen, wat hij ooit deed en wie hij zou zijn… als het ooit oorlog wordt.

In ‘Aan wat probeer ik zo traag en laks te ontkomen?’ schroeft Tsead Bruinja zichzelf de duimschroeven nog wat vaster aan. Na twee gedichten waarin drank, drugs en vraatzucht te berde worden gebracht, gaat Bruinja te rade bij zichzelf in ‘Wat ontwijk ik?’ Waarom gaat hij het grote avontuur uit de weg en is hij tevreden met het wijntje op de bank voor de televisie? Tevreden met een vriendelijke kater, een aardig humeur en een pik die werkt. Het verstoppertje spelen met diepe gedachten die onaf op de zolder liggen. Het is de onprettige gedachtegang die ons allemaal met zekere regelmaat overkomt. We zijn zo tevreden en overtuigd van het behoud van dat wat we hebben dat slechts de dood van een naaste ons wakker kan schudden. Beter dan in ‘Je televisie is kapot’ kan dit niet beschreven worden.

Met ‘Open’ sluit Tsead Bruinja de bundel. Hij is terug bij af. Het is de wereld om hem heen. Die van mannen die aan een vrouw zitten zonder het te vragen. Bruinja’s vuisten die hij niet aan het werk zette. De bomen waaraan je iemand op kunt hangen. En het prijskaartje dat daaraan vastzit: Buutvrij voor zijn ziel of ga direct naar de gevangenis. Maar ook over het ouder worden. Het dunner worden van het haar, het slijten van darmen en longen. Het zijn de slagvelden in zijn hoofd. De angst voor zijn handen om de verkeerde strot.

Angel is een prachtbundel, bijzonder door de vormgeving en de diverse illustraties maar vooral door de gedichten die zowel in het Fries als het Nederlands te genieten zijn. Tijdens de presentatie in Perdu te Amsterdam las Tsead Bruinja ze voor. Het werd een duel tussen het ronkende, expressieve Fries en het nuchtere, kale Nederlands. Met kleine voorsprong won het Fries. Wie de bundel leest en hardop die Friese versie tot zich laat komen, merkt hoe woorden beeld worden. Het zijn gedichten die de stilte in zich dragen. Het wit tussen de regels klinkt door. Totdat de dichter het wel mooi vindt en oorverdovend toeslaat.