Bijverschijnselen van Tjeerd Ybeles Smit
Recensie door Guus Bauer (26 februari 2014)
Tjeerd Ybeles Smit (1944) is een laatbloeier. Op literair gebied dan toch zeker. Pas in 2012 debuteerde Smit met de novelle Sterven doe je zo, waarin hij, net als zijn hoofdpersoon Stein, probeert af te rekenen met zijn streng gereformeerde kindertijd. De ouder wordende mens, in zijn jeugd overladen met schuld, de erfzonde en dergelijke, die zich in doodsangst afvraagt of god nu wel of niet bestaat. Je weet maar nooit.

Ook in de nu verschenen roman Bijverschijnselen heeft de hoofdpersoon, ditmaal Fred Bongers geheten, een leven lang geageerd tegen zijn opvoeding in een gezin van zwartkousen. Hij deed er alles aan om zijn ouders, de vader was een ouderling, tegen zich in het harnas te jagen. Het o zo begrijpelijke puberale verzet dat uitgroeit tot een levenshouding. Fred begon drugs te dealen. Hij was een echte vrijbuiter. Totdat hij de klassieke fout maakte en van zijn eigen waar begon te snoepen. Big time. Hij begon dealers en klanten te ‘rippen’ en beroofde op het laatst zelfs een bank. Zijn vriendin Jina liet hij de hoer spelen. Uiteindelijk neemt hij de benen en gaat zwerven in Zuid-Europa. Een mooie ironische samenvatting van de hippietijd.

‘O ja, wij waren idealisten geweest. Maar wij wilden niets nalaten – wij wilden een toekomst. Zij lag vlak voor ons neus, we hoefden haar alleen maar uit te pakken. Make love, not war. Bloemenkinderen, drugs. [ … ] En had ik iets aan de wereld nagelaten? Jazeker, een netwerk dat het Openbaar Ministerie later als crimineel zou typeren.’

De roman begint wanneer de vrijbuiter op leeftijd terugkomt naar Nederland voor een behandeling vanwege hepatitis C, een gevolg van de levensstijl uit het verleden. Inmiddels is hij al jaren van de drugs af en heeft hij een boot waarmee hij, als eens Odysseus, langs de Griekse eilanden doolt. Hoe hij aan het geld is gekomen is niet helemaal duidelijk.

Eenmaal aangekomen in Amsterdam, ontvangt hij op zijn ‘schuiladres’ een merkwaardig briefje. Hij wordt, uit hoofde van het Heilig Verbond met hem gesloten, uitgenodigd op de Jongste Dag. Er wordt hem sterk aangeraden om voor die tijd zijn schulden te delgen.

Bongers, die zichzelf voor de behandeling weer heeft moeten leren injecteren, haalt zich van alles in zijn hoofd. Betreft het hier zijn doop in de gereformeerde kerk of zijn handel en wandel in het criminele circuit? Hij heeft nogal wat mensen gedupeerd. De therapie ter bestrijding van hepatitis C heeft veel weg van die tegen kanker. De chemo kan tot waanideeën leiden. Smit, een gewezen tekstschrijver in de reclame – in de met veel drugs overladen vrijbuitertijd – parodieert en hallucineert er heerlijk op los. Hij weet met zijn vlotte schrijfstijl de lezer te bewegen. Maar door de humor heen sluimert de pijn. De pijn van het ouder worden, de angst voor de dood, de onzekerheid over het geloof.

‘De paranoia mocht dan het gevolg van de medicijnen zijn, het was tevens een gezonde houding van een zieke oude man die ondanks alles van plan was nog wat langer door te leven. Voor zo iemand is een beetje paranoia geen overbodige luxe. Niemand heeft het geduld voor een trage ouwe kerel. In de rij voor de kassa in de supermarkt wordt hij opzij geduwd, bij het in- en uitstappen van het openbaar vervoer wordt hij onder de voet gelopen, op zebrapaden kan hij zomaar, just for fun, door snelle automobilisten doodgereden worden, en in een hoekje van het park kloppen ze zijn portemonnee uit zijn zak en eisen zijn pincode op.’

Bongers vlucht naar de Hilversumse villa van zijn boekhouder. Toevallig ook het dorp waar hij geboren is, maar dat zich, in alle nieuwigheid, harteloos toont tegenover zijn verloren zoon. De bejaarde buurman Mulder geeft hem de sleutels, maar blijft hem de oren van zijn kop lullen. De schoonmaakster, een blonde, geile engel, Angela geheten, probeert hem te verleiden, maar impotentie is een van de bijverschijnselen van de behandeling. De SRV-man blijkt een soort nieuwe Messias, Lou de palingboer de tweede. ‘Hilversum was een dorp met een sterk ontwikkeld langetermijngeheugen.’

Voor de apotheose, de Dag des oordeels, duikt iedereen uit zijn verleden weer op. Zelfs zijn strenggereformeerde ouders zijn opgestaan uit het graf en zijn ex-vriendin Jina vraagt Bongers om tegenover God, die opvallend veel weg heeft van buurman Mulder, haar schuld op zich te nemen. Voor Bongers maakt het niet meer uit.

‘Een kind opgevoed in een orthodoxe traditie is een potentiële terrorist, en als het dat niet wordt, dan eindigt het wel als crimineel. Hun wordt immers met de paplepel ingegoten dat de wereldse wetten niet voor hen gelden.’

Tjeerd Ybeles Smit weet met veel vaart en humor uiterst belangwekkende zaken aan te kaarten. De pijn van een opvoeding, de doodangst, de onzekerheid over een hiernamaals en de pijn van een naderend einde weet hij daardoor des te invoelbaar te maken.

Smit: ‘Pas toen ik besloot niet meer over mezelf te schrijven, pas toen begreep ik dat ik zelf geen onderwerp van het schilderij was, maar de verf, durfde ik het papier anders te gebruiken.’