Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden van Tsead Bruinja
Recensie door Ezra de Haan (3 december 2015)

Zo uit zijn mouw

Tsead Bruinja (Rinsumageest, 1974) is een dichter naar mijn hart. Wie hem ooit in het Fries of Nederlands heeft horen voordragen, liefst zou ik ‘zingen’ schrijven, vergeet het nooit meer. Bruinja recenseert, presenteert en interviewt met slechts één doel: de poëzie aan de man brengen. Zijn bundel Overwoekerd (2010) werd genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs. Vijf jaar lang schreef hij gedichten gebaseerd op de actualiteit voor het radioprogramma Dit is de dag.

Waar in de bundel Overwoekerd de nodige aandacht was voor ‘de wereld buiten’, lijkt Bruinja in Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden, de naam zegt het al, zich op de wisselwerking tussen de wereld en hemzelf te richten. Hij richt zich op het bewust zijn. Neem het gedicht ‘Satelliet diplomaat’ waarin vragen worden gesteld. Zinnige vragen die je meestal laat liggen.

Uit: Satelliet diplomaat

welke handen startten de machine
die de planken zaagde voor je bed?

wie bracht de boom plantte hem
en wie kwam hem halen?

naar welk huis keerden ze aan het einde
van hun lange dag terug?

als ze mochten kiezen waar jij op hun planken
van zou mogen dromen
wat zouden ze je toewensen?

niet slechts geen oorlog of honger
geen groot verlies of verdriet
en dat is wat je verdient


Dit fragment is typerend voor de gedachtegang in veel gedichten in deze bundel. Om te beginnen het ontbreken van een kapitaal. Het nalaten van het zetten van een punt. De zinnen lijken nederig te worden. Gedachten die een optie vormen. Geen bevel. En toch durf ik het geëngageerd te noemen. Bruinja laat datgene wat de wereld en zijn bewoners overkomt niet langer over zijn kant gaan. Hij wijst ons erop dat het plaatsnemen achter een vergadertafel ons niet anders maakt dan degene die aan de ontbijttafel zat. Dat het verleidelijk is een mooie regel als ‘de aarde is een tas om de schouders van de maan’ niet te ge- of misbruiken als je iets over de lekkende kerncentrale van Fukushima wilt zeggen.

Interessant aan deze nieuwe bundel van Bruinja is het vernieuwende eraan. Vooral in de afdeling ‘Buitenwijk’ merk je dat het repeterende van zinnen, of delen ervan, voor intensivering zorgt. Iets wat ik, in mindere mate, al tegenkwam in het gedicht ‘De vuurtoren van het licht de contouren’, een gedicht dat Bruinja voor Tsjêbbe Hettinga schreef. In ‘Wat je met een stad kunt doen’ gebeurt veel. Je komt readymades tegen, uit de krant geknipt en in het gedicht opgenomen, je ziet een tekst inklinken en tot de essentie komen, er worden teksten door de mangel gehaald, de kop gaat eraf, zodat ze begrijpelijke wartaal vormen en er worden gedachten en geschiedenislessen aan toegevoegd. ‘Ik ben je journalist niet/ ik ben de tweedehands duimzuiger van je tijd.’ Bruinja toont ons de taal die de media ons schenkt en doet er het zijne mee. Een beetje zoals Beatlegende William S. Burroughs dat deed. Van hem zijn de woorden: ‘When you cut the wordlines the future leaks out.’ Hij was zich als geen ander bewust van het woordvirus waar Bruinja dankbaar gebruik van maakt. Het is een procedé dat schitterende poëzie en glasheldere taal oplevert.

Uit: Jouw wereld en jou wereld van krentenbrood

politici moeten een verhaal vertellen
en cijfers zijn belangrijke personages in dat verhaal
maar de verteller moet geen onderdeel
van het verhaal worden de politicus
moet het verhaal worden


Letterlijk overal haalt Bruinja zijn materiaal vandaan: citaten van zichzelf bejubelende SP-leiders, zichzelf verdedigende burgemeesters, rechtse, nationalistische lulkoek of het levensverhaal van een Chinese dichter. En wellicht om directe verwijten op zijn gedichten te voorkomen, want we verwijten immers graag in dit kleine landje, geeft Bruinja in het gedicht ‘In kannen en kruiken’ ook aandacht aan alle voornemens die elke dag langs onze oren scheren.

Uit: In kannen en kruiken

zijn we van plan zal gaan gebeuren
komt er aan kan niet lang meer duren
hebben we aan gedacht is bij ons in goede handen
komen we samen uit gaan we aan werken
kunt u ons op afrekenen is in kannen en kruiken.


In de afdeling ‘natuurlijke omstandigheden’ komen we de woorden ‘moe’ en ‘woedend’ tegen. Vol afschuw dicht hij over moderne verschijnselen als de drone, maar ook vol wijsheid over gevoelige onderwerpen als geloof en vrijheid. In het gedicht ‘eerst zien dan geloven’ gebruikt hij de taal van de Arabisch orale traditie, mooie sprookjesachtige regels vol daadkracht. En slim duikt hij er dan tussen, toont ons beide kanten van de spiegel.

Uit: Eerst zien dan geloven

wij moeten overtuigd zijn van een/ onze vrijheid
een stem die zich lichtjes verheft
en blijven oefenen

ook als we met beide schouders de grond raken
onze wortels vernield voor ons ogen worden gehouden
het kwade nalaten


‘Wingewest’ is de toegift in de bundel. Weer neemt de dichter stappen die aangeven wat zijn poëtische toekomst bieden zal. Er worden klanken weergegeven. Woorden of regels worden cursief tussen of achter strofes geplaatst. Tussenfluisteringen zou ik ze willen noemen. Soms vervagen die zelfs doordat ze lichtgrijs van kleur zijn. Het geeft een verwantschap met het werk van Tonnus Oosterhoff en staat tegelijkertijd helemaal op zichzelf. Wanneer je het leest wil je het Bruinja horen voorlezen, fluisteren, ritmisch doen dansen. Vooral omdat het qua taal soms voorbij het begrip gaat en toch aanspreekt. Dat de dichter op de drempel van een nieuw hoofdstuk staat mag helder zijn. ‘Binnenwereld, buitenwijk’ is daar een goed voorbeeld van. Zelfs schrijft hij:

roekeloos zegt de één
magisch zegt de ander


Ik kies voor het laatste. Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden is een magische bundel.