De hartslag van Moskou van Jiří Weil
Recensie door Guus Bauer (9 december 2014)
Alvorens over het epische werk De hartslag van Moskou van Jiří Weil (1900 – 1959) te kunnen berichten, is het van belang om de biografie van de auteur te delen. De roman is nu eenmaal sterk geschoeid op de ervaringen van Weil zelf in de Sovjet-Unie van de jaren dertig van de vorige eeuw. Weil, kind van orthodoxe Joden, sluit zich al in 1921 aan bij de jonge communisten in het toenmalige Tsjecho-Slowakije en wordt niet lang daarna hun leider. Vanaf 1931 is hij vertaler bij de Sovjetvertegenwoordiging in Praag. Hij bracht als eerste werk van onder meer het proza van Boris Pasternak en de poëzie van Vladimir Lugovskoy onder de aandacht van het Tsjechische publiek.

Weil studeerde Slavische Filologie en Literatuur en rondde zijn studie af met een proefschrift over Gogol en de Engelse roman in de achttiende eeuw. De dramatiek van de grote Engelse en Amerikaanse vertellers vind je ook in De hartslag van Moskou (1937) terug, net als in Mendelssohn op het dak.

In 1933 verhuist Weil naar Moskou, waar hij als journalist en vertaler werkt bij de Komintern, de internationale afdeling van de Russische communistische partij. Tijdens de politieke zuiveringen van die tijd wordt hij verdacht van betrokkenheid bij de moord op Sergei Kirov, de beschermeling van Stalin, die bijna zonder twijfel in opdracht van Stalin zelf is geliquideerd. Hij verliest zijn functie en zijn lidmaatschap van de partij en wordt verbannen naar de Aziatische deelrepublieken Kirgizië en Kazachstan.

Wanneer hij eind 1935 terugkeert naar Praag, heeft hij elk geloof in het communisme verloren en wordt medewerker van het Joodse Museum. De hartslag van Moskou (oorspronkelijke titel Moskva-Hranice) verschijnt in 1937 en zorgt door de expliciete aanklacht tegen het stalinisme – van een voormalig prominent partijlid notabene – dat zijn positie nog verder verzwakt.

In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog slaagde Weil er niet in om te vluchten naar familie in het Verenigd Koninkrijk. Wellicht wilde hij zijn geliefde Praag, het vasteland van Europa, ook liever niet verlaten. Ook in het voorliggende boek merk je telkens weer bij bijna alle personages een diepgeworteld weemoedig verlangen naar Praag, of op z’n minst naar de West-Europese beschaving.

In 1942 kreeg Weil een oproep voor het kamp Theresiënstadt, maar hij ensceneerde zijn eigen zelfmoord. Het water van de Moldau was hem zogenaamd genadig. Hij dook her en der op zolderkamers onder en bleef ook onder die moeilijke omstandigheden schrijven. Het boek dat hij over die periode schreef, in het Nederlands uitgebracht als Leven met een ster (1949), over een voormalig bankbediende die het nazisme probeert te overleven door zo min mogelijk op te vallen, was bitter genoeg na de oorog jarenlang verboden in Tsjecho-Slowakije.

Na de capitulatie kende Weil een paar jaar een relatief rustig leven als redacteur. Enige tijd na de coup van de communisten in 1948 werd hij uit de schrijversbond gezet, heropname volgde pas na de dooi die ontstond door de dood van de ‘arbeiderspresident’ Klement Gottwald.

De hartslag van Moskou is opgebouwd uit drie delen, getiteld ‘Ri’, ‘Jan Fischer’ en ‘Rudolf Herzog’. Ri is de dochter van een fabrikant. Ze heeft alles wat haar hartje begeert. Een mondain leven in het Praag van het interbellum, maar ze volgt haar geliefde, later haar eerste man, naar een kibboets in het Britse protectoraat Palestina. Als het ware op zoek naar een betere invulling van haar leven. (Het lijkt alsof Weil die mogelijkheid voor zichzelf ook onderzoekt, maar resoluut afwijst.)

Ri mist Europa en vooral de relatieve zelfstandigheid die ze daar genoot en gaat terug naar Praag – de andere leden van de commune krijgen te horen dat ze op vakantie gaat naar haar moederland. Dit alles ervaren we in retrospectief op het moment dat Ri haar tweede man Robert volgt die haar naar de Sovjet-Unie is voorgegaan. Een treinreis met veel scepsis, die Weil als het ware achteraf heeft ingebouwd. Zelf ging hij vol verwachtingen naar de USSR. Meermaals hoor je personages die vanwege hun communistische idealen elders in de wereld werden gekerkerd en gefolterd, verzuchten: er is altijd nog Moskou. Ri kan zich aanvankelijk maar moeilijk aanpassen aan het leven daar. Robert is als buitenlandse ingenieur direct doorgestoten tot de elite. Hij is een zogenaamde stootarbeider, lid van het elitekorps van het ultieme arbeidersparadijs.

In principe zou Ri zich alleen maar bezig hoeven te houden met het huishouden. En dat blijkt op zich al een hele opgave met de tram waar je je letterlijk in moet vechten. Van huis uit is Ri geen ellebogenwerkster. Natuurlijk wordt er ergens van haar verwacht dat ze ook aan (zelf)studie en zendingswerk zal gaan doen. Maar Ri gaat verder, ze weigert een gemakkelijk kantoorbaantje dat ze als vrouw van een buitenlander zo zou kunnen krijgen. Ze wordt arbeidster in een fabriek die kogellagers produceert.

Weil bewandelt hier de tegenovergestelde weg van zijn eigen ervaringen. Ri wordt meegezogen in de planeconomie, studeert vaak nog fanatieker dan Robert. Ze maakt zich het idioom van de wereldmacht in wording eigen.

‘Daarnaast was er een ander soort Russisch, waarvan de woorden mee kronkelden met de groeikrampen van de nieuwe orde, dat was de taal vol afkortingen, koortsdromen en wiskundige formules.’

Maar af en toe komt de heimwee met volle kracht binnen. Ze denkt aan de etalages in Praag, de bloemenwinkels, het tennis dat ze speelde ter ontspanning, de glanzende zijde van haar jurken. De wereld die zich na haar verblijf in Palestina herontdekte op het moment dat ze die weer moest verlaten. Zoals zo veel expats, probeert ook zij de welstschmerz te verdrijven met etentjes thuis. Relatief hebben Ri en Robert het een stuk beter dan veel collega’s. Ze hebben bonnenboekjes en een appartement met een eigen keuken en badkamer.

Weil maakt via Ri zijn eigen verlangen naar Praag in de tijden dat hij in Moskou was heel erg invoelbaar. Waar Ri aanvankelijk bang was dat Robert net als haar eerste man zou veranderen in een politiek organisator en bouwer van luchtkastelen, verwordt zij dat eigenlijk bijna ongemerkt zelf. Of je het wil of niet, de omgeving, de doctrine, krijgt je uiteindelijk te pakken. Tekortkomingen wuift zij nog fanatieker dan anderen weg. Haar beeld van het westen draait honderdtachtig graden.

Steeds meer sluipt de bureaucratie in het boek. Weil neemt de tijd in dit proza, en dat stoort helemaal niet. Deze epiek heeft een aangename gelijkmatige cadans, die de toenemende onrust aanvankelijk nog bedrieglijk toedekt. Onschuldige soirees bij Robert en Ri thuis krijgen later een heel andere betekenis, worden door de instanties, zeg maar De Partij, naar believen geïnterpreteerd. Ri is op weg om zelf stootarbeidster te worden als plots ene Jan Fischer ten tonele verschijnt. Een landgenoot, een vertaler en redacteur bij de Tsjechische sectie van de Komintern, een partijlid bovendien. Wie zou dat nu zijn?

En hop, daar zijn de verlichte koffiehuizen van Praag weer, de dorpen met rode pannendaken en de bergen. Een sprankje menselijkheid die in de vrijwel uitsluitend op productie, op het halen van gestelde doelen, gerichte maatschappij eigenlijk ontbreekt. Er ontstaat iets van een onmogelijke liefde.

Uit het deel over Fischer – de delen zijn overigens niet strikt afgebakend, Fischer wordt geïntroduceerd in het eerste bedrijf, Ri blijft uiteraard prominent aanwezig gedurende de gehele roman – blijkt met wat voor gekonkel en gemarchandeer Weil gedurende zijn verblijf aldaar te maken moet hebben gehad. Even is er een sprankje intermenselijke contact wanneer Ri en Jan een, overigens educatief, reisje maken met een boot over de Moskva naar een voorbeeldige jeugdinstelling aan de oever.

‘Wat heeft het allemaal voor zin, dacht Jan bij zichzelf, het is toch allemaal maar iets wat je je aanpraat en onwerkelijk en overbodig is. Arbeid staat voorop en Jan is een arbeider van dit land, net zo goed als Ri. [ … ] Arbeid komt op de eerste plaats en al het andere voltrekt zich langs precies uitgestippelde paden: liefde-vrouw-man-huwelijk-kinderen, er is geen plaats voor andere gevoelens.’

Ri praat zoals iedereen in politieke frasen, dat is het veiligst. Dictaturen, ik herhaal het nog maar eens, eigenen zich de taal en de cijfers toe. Iedereen is bang om iets politieks onwenselijks te zeggen. Ri is dit langzaam als iets natuurlijks gaan beschouwen. Het getik van haar kogellagers is haar taal. Fischer houdt zich daarentegen met letters, zinnen en woorden bezig en de emoties die ze teweeg kunnen brengen, die hartverwarmend kunnen zijn. Hij keert zich, ook ongemerkt, af van de heersende moraal. Weliswaar draait hij gewoontegetrouw mee in de Russische machine, maar je voelt dat hij er steeds meer de kantjes van af loopt.

Partijleden en stootarbeiders hebben recht op vakantie. Ri gaat met haar man met de trein het land rond, terwijl Jan, na veel moeite, in een kuuroord in het zuiden nabij de Zwarte Zee terechtkomt. Dat is het segment van de roman met hoop, een soort Russische lente, valse hoop zoals al snel zal blijken. Het is mooi om te zien hoe de arbeiders uit verschillende delen van het land nog een paar dagen hun stramme levenshouding, hun schild ophouden. Daarna barst het feesten los, worden de robots weer mens, al is het voor even.

‘De wereld is vol aardige, lieve kleinigheden, het leven bestaat alleen uit simpele, gewone, alledaagse dingen: liefde, een kind, lekker eten en drinken.’

Fischer moet zijn vakantie voortijdig afbreken. Er komt een geheimzinnig telegram uit Moskou. Hij dient direct terug te komen. Alleen hij kan een van zijn superieuren redden. In tegenstelling tot Fischer is Rudolf Herzog een echte arbeider, een Roemeen die zelfs vanwege zijn overtuiging een oog moet missen na martelingen door de Roemeense geheime dienst. Er volgt een intrige, de beste spionageroman waardig.

Herzog is door de nazi’s gearresteerd en alleen de bourgeois Fischer kan min of meer veilig nieuwe papieren bezorgen bij een contactpersoon in Berlijn. Goeiig als hij is, gaat hij akkoord met de eventuele consequenties. Maar hij staat er alleen voor, niemand mag van zijn missie weten.

De bikkelharde geschiedenis neemt tegen het einde het heft van de roman in handen. De grote zuiveringen van vermeende tegenstanders van Stalin. De bevolking wordt opgeroepen om in de eigen gelederen mensen te ‘ontmaskeren’. Elk woord van twijfel in het verleden, elk ironisch lachje kan een mens duur komen te staan. En ja, Fischer is afkomstig uit een gegoed milieu, hij heeft zijn arbeid en zijn scholingswerk niet naar behoren gedaan én hij is tijdens zijn vakantie een paar dagen niet in de badplaats geweest maar in Moskou gesignaleerd. Strikt tegen de hem opgelegde regels in, is hij namelijk op bezoek gegaan bij Ri en heeft met haar de nacht doorgebracht, in het besef dat de opdracht zijn dood kon worden. Daarnaast heeft hij ook nog contact gehad met een vermeende contrarevolutionair. Ze hebben over ditjes en datjes gesproken, maar dat doet niet ter zake. Schuldig totdat het tegendeel is bewezen. En dat gebeurt in een totalitaire staat eigenlijk nooit. Vermoedens staan gelijk aan bewijzen.

Kwam Herzog maar terug naar Moskou om Fischer uit de klauwen van zijn mede-partijleden te redden. Ook Ri weet hoe de zaak daadwerkelijk in elkaar steekt. Zal zij kameraad Fischer te hulp schieten? Kiest ze voor haar minnaar of voor haar ambitie?

De hartslag van Moskou is een intens doorleefde geschiedenis, een essentiële roman over de gevolgen voor individuen van het Stalinisme. Meer verlaten dan Fischer kan iemand zich bijna niet voelen. Ook Weil zal zich in die tijd een ‘voormalig mens’ hebben gevoeld. Gelukkig had hij later nog de kracht en de moed om het in deze ritmische taal te gieten.