De lezer is niet dood van Alex Boogers
Recensie door Guus Bauer (23 december 2015)
Alex Boogers (1970) is dé aangewezen persoon om een schotschrift te schrijven tegen de huidige gang van zaken in het boekenvak, in de culturele wereld, in de samenleving in het algemeen. Hij is een échte schrijver, dat wil zeggen iemand die niet de schrijver speelt, noch het kluizenaarstype, noch de tv-bekendheid of iets daar tussenin, maar zijn verhalen uit noodzaak te boek stelt, zijn verhalen leeft. De lezer is niet dood is een pak-van-mijn-hartboek waarin Boogers niet alleen haarfijn de pijnpunten aanstipt, maar ook ‘de oplossing’ aanreikt, althans zich sterk maakt, zich er niet zomaar onder laat krijgen. Het gevecht voor een lezer die je als schrijver weet te raken, wiens kijk op de wereld gekanteld is nadat het boek is dichtgeslagen, ook al is het maar een klein beetje.

Ga naar scholen, doe begeesterd je woord, laat je niet ontmoedigen, want er is altijd wel iemand die zich echt aangesproken voelt. (Ook al wordt dat voor de groep vaak angstvallig verzwegen. Lezen, en schrijven al helemaal, is nu eenmaal niet cool.) Iemand die moet schrijven, moet leren om zijn volle hoofd op bevredigende manier op papier te kunnen legen, die het vuur als het ware alleen nog aangereikt hoeft te krijgen. Die van iemand slechts eenmaal moet horen dat hij of zij niet gek is, geen zonderling is. Leraren zijn minder bevlogen, zien hun werk steeds meer als een vervelende taak. (Praktijkvoorbeeld: leraren mochten onlangs van de leiding voor Sinterklaas bij de plaatselijke boekhandel een boek uitzoeken. De lerares Nederlands koos voor een kookboek van Jamie Oliver. ‘Ik lees nooit literatuur.’ Dat is iemand die slechts regeltjes bijbrengt. Weinig verheffend, weinig inspirerend.)

De voldoening van slechts één zo’n diepgaand contact is alle moeite, alle desinteresse, de afbreuk van je ego door de bestseller-lovers die boekhandelaren, leraren, organisatoren van festivals en de journalisten over het algemeen zijn geworden, meer dan waard. De schrijver als een eenmanscircus tegen wil en dank, bestsellerauteurs die zich een bepaalde quasinonchalante air aanmeten, die verkoopcijfers verwarren met de kwaliteit van de tekst. Die met andere woorden meer met optelsommen bezig zijn dan met zinnen. Het boek uitsluitend als een product. Uitgevers die zich gedwongen voelen om commerciële censuur op de teksten toe te passen.

De échte lezer is inderdaad niet dood. Ook de jonge lezer niet. Er zijn er nog steeds die andere werelden willen exploreren, niet die van de gebaande paden, de canon die al sinds mensenheugenis de literatuurlijsten op scholen domineert. Ja, Multatuli, ja, Oeroeg. Maar er is zoveel meer, er verdwijnt zo ongelooflijk veel goeds direct op de boekenberg. (Van de lijst met vierenveertig titels die als keuze van dit jaar van deze recensent elders is gepubliceerd, is geen van de titels ook maar ergens genoemd, terwijl er zich toch absolute parels onder bevinden.)

De échte lezer is de laatste jaren gekneveld, krijgt van tv-pauzen steeds weer voorgeschoteld wat er toe zou doen. Mensen bekend van tv moeten allemaal ook zo nodig een boek uitbrengen. Willen ze bij die ‘schrijvende stofjassen’ horen? Ze zien hun, al dan niet door een inktslaaf geconcipieerde boekwerk, bijna uitsluitend als een reservewiel aan de strijdkar van hun carrière. Een extra appeltje voor de dorst.

Boogers vertelt middels zijn schotschrift over zijn jeugd in het arbeidersmilieu, woonachtig op de tweede etage in een stapelvilla in Rotterdam. Een jongen die zich op straat staande wist te houden met zijn vuisten en zijn mond. Iemand die niet wist dat hij ook goed genoeg was voor het boek. (Zo versluierd, zo met de herschikking van de volwassene, kun je jeugdherinneringen het beste inpakken. Anders zijn ze doorgaans onverdraaglijk, staan ze bol van vals sentiment.) Hij beschrijft in de typische klip-en-klare Boogersstijl, die onderhuids toch vol zit met kracht, met emotie, zijn klasgenoten en de afstandelijke positie die de leraren innemen. Die onderwijzen over de zogenaamde Grote Drie. Natuurlijk staan die ver van het Rotterdamse bed, met op de hoek een hoerenflat en Rinus van de snackbar met zijn verhalen over vrouwen. Wat hebben de Surinaamse, de Turkse, Marokkaanse en blanke arbeiderskinderen te maken met de Amsterdamse grachten, met de Tweede Wereldoorlog, met de heimwee naar het oude Nederlands-Indië? Die willen zichzelf kunnen herkennen in een boek.

Een boek met straatrumoer zogezegd, door jongens van de straat geschreven. Niet door schrijvers die het als een modeverschijnsel omarmen. Zoals de kleding van een beweging als punk, een levenshouding, ineens bij de C & A was in te slaan. In een afgezwakte, door de massa geaccepteerde vorm uiteraard. Het gaat in de literatuur om authenticiteit en het zo veel mogelijk vermijden van het compromis.

Literatuur zou straatrumoer niet eens herkennen als ze erover zou struikelen. De schrijver zoekt in de literatuur naar het idee van straatrumoer. [ … ] Het is een fabricatie van de werkelijkheid. Ik zie dat er voor de lezer wordt bepaald wat hij leest, hoe hij het moet lezen, wat hij ervan moet vinden. Er wordt ons een voorstelling gegeven van de wereld zoals wij die moeten zien, maar niet zoals die werkelijk bestaat. Er is geen straatrumoer, en weinig is nog maar echt authentiek. Het wordt alleen als zodanig gebracht, ‘gemarket’. Het woord alleen al.

Inderdaad, het woord alleen al. Maar elke schrijver die publiceert heeft ermee van doen, zal zich toch op een of andere manier in de kijker moeten werken. De schrijver schijnt vooral te moeten worden gezien. Wil je verder kunnen publiceren, dien je naar je inborst vals te spelen. De schreeuwers krijgen nog steeds de meeste aandacht. De lezer, de kijker eerder, wordt erdoor lamgeslagen, durft zich bijna niet op een ander pad te begeven. Het koffietafelboek. Kijk mij eens erbij horen. Groepsdenken. Maar gelukkig zijn er soms kwaliteitstitels die dwars door alles heen, tegen elke verwachting in naar de voorgrond komen. Kwaliteit komt altijd bovendrijven? Was dat maar waar. Er zijn bevlogen mensen nodig om de nieuwsgierigheid te wekken. Mensen zoals Boogers die zich uit durven spreken.