De mooie blanke armen van mevrouw Sorgedahl van Lars Gustafsson
Recensie door Guus Bauer (22 april 2011)

‘Alles wat belangrijk is kan kort verteld worden’

Soms tref je als beroepslezer ook een boek dat helemaal voldoet aan je eigen smaak. De roman De mooie armen van mevrouw Sorgedahl van Lars Gustafsson is daar wat mij betreft een goed voorbeeld van. Gustafsson is een van de bekendste en meest gelauwerde Zweedse schrijvers met een omvangrijk oeuvre, bestaande uit romans, filosofische verhandelingen en essay- en poëziebundels. En vooral dat laatste merk je duidelijk in deze ingetogen roman. Gustafsson beloont de lezer op elke pagina wel met een paar aparte poëtische beelden. Het liefst zou je ze zin voor zin allemaal willen citeren.

In De mooie armen van mevrouw Sorgedahl maakt een filosofieprofessor in Oxford een tijdreis door zijn verleden en belandt in het Zweden van de jaren vijftig van de vorige eeuw. Hij beschrijft het Västmanland, zijn vrome grootmoeder, de smaak van kaneelpeertjes, de geur van het water en het riet. ‘De duiven met hun angstige beweginkjes en hun melancholieke monologen deden me aan mijn moeder denken, de meeuwen aan mijn vriendjes van school, vooral de jongens die niet op een normale toonhoogte konden praten, maar die altijd luid krijsten en handbal speelden.’ Maar vooral herinnert de professor zich de vrouwen, die in zijn gedachten natuurlijk nog net zo mooi en verleidelijk zijn als toen. En dan met name mevrouw Sorgedahl, met haar saaie man, gelukkigerwijs, en haar prachtige blanke armen.

Het krap tweehonderd pagina’s tellende boek is opgedeeld in dertig hoofdstukken. Dat heeft het voordeel dat de lezer precies op het juiste moment op adem kan komen en even kan reflecteren. De inhoudsopgave laat zich lezen als een gedicht. De laatste jaren is de vuistdikke roman in de mode. Men wil waar voor het geld. Bij lezing van dergelijk epische werken heb je weleens het idee dat het verhaal met een pagina of driehonderd minder net zo goed uit de verf had kunnen komen, misschien soms wel beter. Bij Gustafsson telt elk woord. Dit is literatuur die je terug bij jezelf brengt, die verstild is en rust geeft. Wanneer je De mooie armen van mevrouw Sorgedahl hebt uitgelezen, voel je de behoefte om het boek direct weer bij het begin open te slaan. Zo lees je alsnog een dikke pil.

Dit is een roman die vooral onderzoekt hoe het geheugen werkt. Om met de Ierse schrijver Joseph O’ Connor te spreken: ‘Je staat aan de kant van een spiegelglad meer en werpt een platte kei. Die raakt het water op drie, vier en soms wel vijf plekken. Zo worden herinneringen met elkaar verbonden.’

Deze roman is secuur geschreven, de kaneelperenbomen, de rietkragen en de vogels doen denken aan Gerbrand Bakker, de implementatie van de filosofie aan de Hongaar György Konrád en de poëtische stem aan het werk van Herta Müller. Dat is niet verwonderlijk, want grote literatuur wordt vaak op de kleine vierkante meter geschapen. En daar zijn deze drie auteurs net als Gustafsson meesters in. De schrijver creëert een wereld, de lezer voegt daar zijn eigen wereld aan toe. Zo ontstaat een derde wereld met een eigen mythologie die noch aan de een noch aan de ander behoort. Dát moet een schrijver teweegbrengen.