De spons in ons van J.B. Matto
Recensie door Guus Bauer (19 december 2014)

De omgekeerde wereld

Net zoals in de debuutroman Nieuwe Chinese plantenkunde van J.B. Matto (pseudoniem van Joost Bottema) is de hoofdpersoon van de novelle De spons in ons een escapist, in wezen afgereisd op zoek naar zijn eigen identiteit. Ditmaal zijn we in het Caribisch gebied. Het Nationale Mariene Park rond het eiland Bonaire is zestig meer diep. Daaronder bevindt zich het zogenaamde ‘diepe rif’ dat nog nooit door mensen is bezocht. De uitdagingen voor de ontdekkingsreizigers liggen al jaren niet meer op het land, maar onder de zeespiegel.

Een aantal wetenschappers gaat met een speciaal daarvoor ontworpen duikboot de dieptes verkennen, op zoek naar een onbekende sponssoort. De verteller mag als rapporteur mee. Matto heeft gekozen voor twee elkaar kruisende verhaallijnen. Voorwaarts in de tijd, of beter: met steeds meer diepgang betreffende de duikboot – een metafoor voor de ‘druk op de schouders’ van de verteller, die feitelijk steeds dieper op zijn mens-zijn ingaat - en terug vertellend vanaf zes dagen voor de tewaterlating.

De eerste natuurlijke selectie betreft de ingang van de duikboot, met overgewicht kom je eenvoudigweg niet binnen. Ja, de mens moet zich eigenlijk maar behelpen met het lichaam dat hem of haar tot dienst staat. Daarna presenteert de onderwaterwereld zich als in een kerstbal. Matto is heel precies met zijn taal, passende bij de verstilde omgekeerde wereld.

In de stukken die toewerken naar het zeeniveau, wordt duidelijk gemaakt wat wij met de natuur aanrichten, er staan vervuilende raffinaderijen aan de kust, het rif dient als afvalplek voor oude auto’s, koelkasten en ander afgedankte zaken. De boot die nodig is voor het project is opgebouwd vanaf een gestripte vissersboot. De behoefte van de personen symboliserend, of in elke geval van de verteller, om bij nul te beginnen.

De Caraïbische Zee heeft haar paradijselijke imago verloren, net als de mens. De verteller is maar weinig gelukkig met ons als onderdeel van de schepping. En gelijk heeft hij, we maken het vrijwel zonder uitzondering te bont op de aardkloot. Terwijl ze om overduidelijke redenen opgesloten zitten in een sfeer, een bathysfeer voor alle duidelijkheid, lijkt het alsof de verteller zich vrijer voelt onderwater. Er is geen golfslag meer, ze zweven, vergelijkbaar met een reis in de ruimte.

Daar, ontdaan van de wereldse wetmatigheden, begint de verteller aan de ‘opbouw’ van de nieuwe mens. Dat wezen dat in feite bestaat uit ingewikkelde overerfde systemen, uit rudimenten van de vis, de moeraspad, de spons, het minuscule diertje dat samen met anderen de ‘bloemen’ van het rif vormt. De wens om ergens anders een degelijk werkende samenleving te beginnen. De mythe van een paradijselijk eiland. Mooi dat deze novelle zich derhalve in een deze streek afspeelt.

‘Als wij ook algen onder onze huid aan het werk konden zetten, zouden we net als koraal van water en zonlicht kunnen leven. Dan zouden we onszelf plantmensjes kunnen noemen. [ … ] De spons bleek het echte mirakel, hij vormde als een soort longen, hart en lever de basis voor een leefbaar rif.’

Behalve dat de spons zichzelf schijnt op te eten, produceert hij ook nog eens schoon water en voedsel voor andere dieren. Wordt het niet eens tijd dat we van meedogenloze gebruikers, onbaatzuchtige verstrekkers worden? De verteller vraagt zich na de gesprekken met de biologen af wat er eigenlijk nog echt mens is aan een mensenlichaam. Zou het toch het brein zijn? Het feit dat we ergens van kunnen dromen? Ja, waarom zijn we eigenlijk niet in de zee gebleven?

‘Waarom waren we de confrontatie met zwaartekracht, moerassen en herfststormen aangegaan?’

Matto bewaart precies de juiste afstand tot zijn onderwerp om een mooi afgeronde novelle af te leveren die aan het denken zet.