De stilte van het ongesproken woord
Recensie door Ezra de Haan (22 augustus 2014)

Wan pipel - Eén volk

In Suriname speelt de poëzie een belangrijke rol in de literatuur. In geschreven vorm, maar ook door middel van voordracht wist menig gedicht tot het collectieve geheugen door te dringen. Dave MacDonald nam, in samenwerking met IKO-Foundation, het initiatief drie grote Surinaamse dichters de aandacht te geven die ze verdienen. Hij koos voor gedichten die gehoord moeten worden, die soms al eerder op muzikale wijze waren vertolkt en die nu door verschillende musici worden gezongen. De diversiteit aan zangers en muzikanten is typerend voor Suriname. Muziekstijlen als jazz, blues, gospel, rap worden gecombineerd met tabla, kaseko en Caribische patronen. En ook de verschillende talen die men in Suriname spreekt, komen aan bod: het Hindi, Sranan, Sarnami, Nederlands en Engels. De dichters Trefossa en Dobru, beiden belangrijke schrijvers in het Sranan krijgen hun eerbetoon, maar ook Shrinivāsi die in het Sarnami schreef.

Trefossa was de dichtersnaam van Henri Frans de Ziel (1916-1975). Hij is een zeer belangrijke dichter voor het Sranan geweest. Gedichten als ‘Bro’ en ‘Gronmama’ zijn klassiekers geworden. Iedereen kent zijn woorden, met name die van ‘Opo kondreman’, het tweede couplet van het Surinaamse volkslied. Ook het woord ‘srefidensi’, het Sranan woord voor onafhankelijkheid is zijn verdienste. Trotji (1957) was de eerste echte bundel poëzie in het Sranan. Trotji betekent voorzang en is een term uit de kawinamuziek-traditie.

Hoe voorspellend is die titel geweest. Het was met recht een voorzang. Na Trefossa kwam er nog vele anderen die aantoonden dat het Sranan uiterst geschikt was voor poëzie. Neem een Michaël Slory die bundel na bundel schitterende gedichten in het Sranan, en ook in andere talen, schreef. Vooral omdat het Sranan lang als een minderwaardige taal werd bestempeld, was het erg belangrijk dat dichters lieten zien dat deze gedachte op niets was gestoeld. Zo vertaalde Trefossa een sonnet van Willem Kloos in het Sranan en herschreef hij kerkliederen tot ze beter klonken dan het origineel. Juist door het gebruik van het Sranan ontstaan metaforen die meer lagen doen ontstaan. Een mooi voorbeeld hiervan is zijn ‘Blesi sa kon bogo-bogo’, de vrije vertaling van ‘Er komen stromen van zegen’.

Rust (fragment)

Verstoor niet mijn gedachten nu,
en roep mij niet om ergens heen te zien,
vandaag stuwt mijn hart mij om te gaan
tot aan een stillen kreek, ver weg.

Zeg niet dat ik alleen maar weg wil lopen
omdat ik bang zou zijn voor strijd en pijn,
maar ’s werelds rumoer heeft mij zo ingesloten,
wat moet ik doen? Mijn bloed wil rust.

daar aan de kreek zal ik dromenland zien,
waar alle dingen zoeter zijn dan hier
en schrikverhalen mij niet zullen hinderen.


Dobru is een dichter die veel Surinamers nog door zijn schooloptredens kennen. Zijn gedichten die opriepen tot revolutie, die je attent maakten op het zoeken naar eigen identiteit en te werken aan een toekomst, waren voor velen een openbaring. Mede door zijn imposante stem en uitmuntende voordracht. Hij werd in 1935 geboren als Robin Ewald Ravales te Paramaribo. Dobru verwijst naar het woord dubbel en komt van de dubbele R in Robin Ravales. Belangrijk voor zijn ontwikkeling was zijn betrokkenheid bij het opkomende politieke nationalisme. Zo was hij een van de oprichters van de Partij Nationalistische Republiek. Door zijn politieke geschrift tegen de regering Pengel werd Dobru voor het leven geschorst van de Rechtsschool, veroordeeld en ontslagen uit overheidsdienst. Na zijn ontslag uit de gevangenis besloot hij beroepsschrijver te worden. Van 1965 tot 1973 gaf hij tien gedichten- en verhalenbundels uit. Na 1973 verminderde zijn literaire productie doordat zijn werk als parlementariër de nodige attentie vroeg.

Geen plaats

laat mij
geboren worden in een krot
van de saramaccastraat
op het erf van Bethlehem Bazaar
laat kakkerlakken en luizen
mij ruimte geven
om te komen
spreid de papaja
en kerm
wamt er is toch geen plaats voor mij
in de herberg


Shrinivāsi (1926) is het pseudoniem van Martinus H. Lutchman. Als Fernando Brave begon hij zijn schrijversloopbaan met rijmende gedichten. Vervolgens verkoos hij de vrije vorm, zonder rijm en vaste regellengte. In Anjali, zijn debuutbundel, kwamen deze gedichten bij elkaar. Anjali verwijst naar het woord in het Hindi dat de holte beschrijft die ontstaat als de handen bij een offergave tegen elkaar worden gebracht. Het was de eerste bundel die hij onder zijn nieuwe naam Shrinivāsi uitbracht. Het is een samentrekking van de woorden Shrinám nivāsi, dat ‘bewoner van Suriname’ betekent. Al kun je het ook lezen als ‘edele bewoner’. Belangrijk was ook zijn bundel Praktikshá waarin de gevoelens en verlangens die in 1968 speelden precies wist te verwoorden. Shrinivāsi’s laatste bundel Hecht en sterk kwam in 2013 uit.

Uit: Sangam (1997)

Toen realiseerde hij zich
dat de rivier
toch maar één oever had
waarop hij stond
en naar de verte keek
waarin een beeld
uit vroegere jaren
langzaam maar zeker
was opgelost
zodat er toekomst
noch verleden was
verlangen niet
en uiteindelijk geen verdriet


Dave MacDonald werd op vijftienjarige leeftijd geconfronteerd met Dobru toen die tijdens een verjaardagsfeest op de tafel ging staan en wat revolutionaire gedichten declameerde. Jaren later probeerde hij gedichten van Dobru op muziek te zetten. Hij ging uit van de cadans die er al in zat en legde vervolgens het ritme van iedere regel vast. De muzieklijnen fraseerde hij zo als hij de zinnen zou hebben uitgesproken en waar het papier wit bleef, vulde hij het aan met muziek of stilte. Op die wijze wist hij twintig gedichten van Dobru tot liederen te maken.

Twaalf jaar later probeerde hij nogmaals zo’n krachttoer uit te halen, nu met het werk van Trefossa. Ook deze keer gaven cadans, klank en de betekenis van woorden en regels hem de inspiratie. Zijn werk en de sfeer die het opriep, bewerkte hij tot er muzikale composities ontstonden. De gedichten van Shrinivāsi mochten in dit drieluik niet ontbreken. Zijn interactie tussen verschillende culturen en bevolkingsgroepen is immers zeer belangrijk geweest. Door muziek aan poëzie te koppelen hoopte MacDonald ze tot een nog groter publiek te brengen. Het muziekproject dat bij het boek hoort en op DVD valt te bewonderen, bevat een keur van artiesten van formaat. Medewerkers waren: Martin Buitenhuis, Zanillya Farrell, Quinsy Gario, Claudius Ritfeld, Julya Lo’ko, Desiree Manders, Chy-Kyria Mezas, Raj Mohan, Lucas Shepard, Simran, Robert Harman Sordam, Norman van Geerke en Sarah Jane Wijdenbosch.

De stilte voor het ongesproken woord is een poëtisch en muzikaal monument voor drie grote Surinaamse dichters. Door ook aandacht te geven aan informatie over de dichters, met name de getuigenissen die soms zeer persoonlijk zijn, krijgt de lezer meer begrip voor de impact die Dobru, Trefossa en Shrinivāsi hadden en hebben op de Surinaamse samenleving. De muzikale bewerking van de gedichten is zo divers als Suriname. De impact van het gezongen woord geeft een extra dimensie aan de gedichten. Niet snel vergeet je de stemmen van Raj Mohan en Julya Lo’ko. Wellicht is dit project het begin geweest van iets moois. Surinaamse dichters die voor een tweede Stilte van het ongesproken woord in aanmerking komen zijn Jit Narain, Michaël Slory en Edgar Cairo.