De tranen van de zeegans van Inge Nicole
Recensie door Ezra de Haan (4 juli 2011)

De novelle als verwenhuis

Al enige tijd vormen romans van haast Dickensiaanse dikte torens in de boekhandel. Murakami had zelfs drie dikke boeken nodig voor het verhaal dat hij te vertellen had. Wellicht heeft het gewicht van deze werken en de daarvoor benodigde plankruimte voor de doorbraak van de e-reader gezorgd. Gelukkig zijn er ook auteurs, zoals Inge Nicole, die voor de novelle kiezen. Less is more, zegt men vaak tegen acteurs. Wellicht is het tijd dat ook schrijvers daarvan op de hoogte worden gebracht.

Wikipedia beschrijft de novelle als volgt: Een novelle is een prozatekst die wat omvang betreft tussen de roman en het korte verhaal geplaatst wordt. Het woord is afgeleid van het Latijnse ‘novus’, nieuw, en het Italiaanse ‘Novella’, nieuwtje. Een novelle bezit een eenvoudige structuur en een klein aantal personages. De novelle beleefde een eerste bloei in de late middeleeuwen en de renaissance. Opmerkelijk zijn de novellenverzamelingen Decamerone van Boccaccio en Novelas ejemplares van Cervantes. Moderne beroemde novellen zijn Die Verwandlung van Franz Kafka en The Old Man and the Sea van Ernest Hemingway.

De tranen van de zeegans van Inge Nicole toont aan dat de vorm van de novelle nog steeds springlevend is. De novelle dwingt de schrijver tot geconcentreerd schrijven. Er mag immers geen woord te veel staan. In plaats van de oeverloze uitwijdingen waaraan we zo langzamerhand gewend zijn geraakt, lezen we nu prachtige passages waarin het poëtische van de taal ertoe doet. Het levert literatuur op zoals die zijn moet: afgewogen en doordacht. Proza dat lezer meteen begrijpt, zonder dat hij bij het handje wordt genomen. Het antwoord dat Aleida Vleijshouwer geeft op de vraag wie haar vader en moeder zijn, is daar een goed voorbeeld van.

‘Mijn vader, Cornelis Vleijshouwer, hij leeft van varkens en soms een oud paard. En mijn moeder is dood.’
‘Ach gut, is je moeder dood?’
‘Ze had een lichaam als van een garnaal en toch kwam steeds dat varken en bij het zevende kind brak ze in tweeën. Ik wil geen kinderen. Nooit.’


Mooi is het hoe de auteur in haar proza steeds weer dieren gebruikt. Eerst als dat wat haar vader slacht, dan als vergelijking voor haar moeder, vervolgens als woedende beschrijving van haar vader. Je leest er de naïviteit vanaf. Haar wereld is niet groter dan die van het slachten en het gezin waarvan ze deel uitmaakte. Het kinderen krijgen heeft haar moeder gebroken. En Aleida.

De novelle begint in Driewegen, we schrijven het jaar 1863. Aleida is pas veertien als ze noodgedwongen naar de stad moet. Slechts één pagina heeft Inge Nicole nodig om te beschrijven wat daaraan vooraf ging. De seksuele voorlichting door haar vader is vrij primair.

‘Vader trok haar de bijkeuken in en duwde haar boven op de opengesperde spleet van de vetgemeste zeug. Naast de achterdeur krijste de geketende beer van Molière als een mager speenvarken aan de ring in de muur. Vader beende naar buiten, tilde de staart op en wees naar wat daaronder hing: ‘Dat gaat stokstijf de zeug in en daar krijgt ze kinders van!’

Niet voor niets zegt Pons, de pooier van Aleida: ‘Hier is geen plaats voor kinderen.’ Er was geen tijd en plaats voor kinderen. Het is een harde, koude wereld waarin Aleida moet zien te overleven. Haar hand waaraan de ringvinger ontbreekt is daarvan het ‘tastbare’ bewijs. Toch heeft Aleida grote plannen. ‘Ze zou het anders doen. Ze zou in mooie kleding met een goed gevulde beurs over de boulevard paraderen.’ Ze begint bij de visafslag, wordt dan door Pons geronseld als huisbediende en eindigt als prostituee. ‘Pons was klein van stuk maar had iets in zich waardoor weigeren niet in haar opkwam. Hij was een zeeduivel in hermelijnbont. Zijn stekels moest je mijden.’

Erotiek in de literatuur betekent glad ijs voor de schrijver. En hoevelen zijn er niet op uitgegleden. Inge Nicole weet niet alleen overeind te blijven maar schrijft zelfs de mooiste scènes van het boek. Nergens is het platvloers of clichématig. Weer blijkt haar poëtisch taalgebruik hèt middel om gevoelige zaken te beschrijven.

‘Een stekende pijn trok tussen haar benen op. Achter haar gesloten oogleden verscheen de waterpomp van het erf en in het ritme van het oppompen van het grondwater schoten er steken door haar onderbuik. Haar flamoes was als bevroren aarde in de winter en de man werd de zwengel die haar hardhandig in tweeën spleet om bij de bron te komen.’

En drie pagina’s verder:

‘Hij bracht haar mond naar zijn onderlichaam terwijl zijn adem een keer oversloeg. Aleida dacht aan de wilde banken vol met mosselen en als je dan zo’n mossel openbrak en met je tong het vlees raakte, was dat net zo week en zilt als Pons. Hij kreunde lichtjes en het viel mee. Het was geen spekzwoerd maar een opengebroken mossel bij ondergaande zon met vrij spel van de wind door je haren.’

Dit is schrijven. Vaak vergeet je dat je slechts een paar bladzijden hebt gelezen, zoveel indruk maakt dat wat je gelezen hebt. Je krijgt het gevoel een film te hebben gezien, een klassieker te hebben gelezen. De naïeve Aleida en haar pooier Pons, die niet te vertrouwen was tot hij gevoelens voor haar kreeg, vormen het ideale duo voor deze zeer goed geschreven novelle. Inge Nicole heeft ermee bewezen zeer getalenteerd te zijn op de korte baan. De vraag is of De tranen van de zeegans om een vervolg vraagt of om een grotere broer? Moet Inge zich opmaken voor een marathon in de vorm van een roman of zich nog verder bekwamen in het korte krabbelwerk, die van de novelle of de poëzie? De tijd zal het leren.