De verdwenen stad van Ton van Reen
Recensie door Ezra de Haan (11 april 2016)

Het geweten van het zuiden

Ton van Reen mag je met recht de chroniqueur van het zuiden noemen. Hij schreef romans, kinder- en jeugdboeken en journalistiek werk. In dat enorme oeuvre valt een aantal romans op: Het winterjaar, Roomse meisjes, Gestolen jeugd, De lichtverkoper en De bende van de bokkenrijders. Chrétien Breukers, die ontkent dat er een Limburgse literatuur bestaat, maar desondanks ‘best een Limburgse schrijver zou willen zijn’, noemt Ton van Reen ‘uiteraard de grootste levende Limburgse auteur’. Volgens hem kunnen auteurs als Palmen, Offermans, Thijs en Beurskens niet eens in zijn schaduw staan. Alleen Wiel Kusters komt daarvoor ‘onder voorbehoud’ in aanmerking. Het is een vorm van bewieroking die verdacht klinkt. ‘Limburgs’ voor een Amsterdammer. Reden genoeg om extra kritisch te lezen.

Hoofdpersoon van De verdwenen stad is Timo Wolters, een advocaat die allesbehalve tevreden over zijn leven, huwelijk en carrière is. En alsof dat al niet genoeg is wordt hij met de regelmaat van de klok geteisterd door migraine. Zijn poging het dan maar in de politiek te gaan maken is op een fiasco uitgelopen. Met slechts 21 stemmen, en dat in een poging deel te gaan maken van de raad van de gemeente Leudal, is zijn imago nog slechter geworden dan het al was. Timo hoopt op een zaak die hem weer aanzien kan geven.

Wat hij nodig had, was een geruchtmakende zaak, met veel belangstelling van de pers. Zoals de zaak van een Roermondse wethouder die belangen had in de bouwprojecten van een goede vriend. Zo’n zaak, van lui die met zwart geld strooien om zich wit te wassen, dat zou veel publiciteit geven. Die aannemer was multimiljonair. Die keek niet op van een nota van honderdduizend euro voor een advocaat. Die wethouder ook niet. Die had zelfs eigen bedrijven.
Hoe kon iemand die zoveel verschillende belangen diende, eerlijk blijven?


Wie regelmatig de krant leest, herkent iets in bovengenoemd citaat. Het doet aan de affaire Van Rey denken, aan gesjoemel, aan een provincie waar egoïsme en zelfverrijking hoogtij vieren. Blijkbaar wil Ton van Reen met dit boek duidelijk maken dat dit soort wantoestanden hem niet aanstaan. Onrecht was eerder een thema in zijn oeuvre, neem De lichtverkoper, een roman die vertelde over de kinderarbeid en arbeidsomstandigheden in de negentiende eeuw. Nu zou het al te eenvoudig zijn om alleen in te zoomen op de boosdoeners. Belangrijker is immers de vraag waar de rechtvaardigheid en de eerlijkheid blijven als alles om eigen gewin draait. Wat moet je als je het met vriendjespolitiek niet redt, wanneer het je aan een ‘oldboys network’ ontbreekt?

Timo Wolters is de ideale figuur om al deze vragen te beantwoorden. De goede man is in de war van wat hem de laatste jaren allemaal is overkomen. Zijn frustratie is groot, dat blijkt uit ieder woord dat bij hem opkomt. Wat er echter met hem aan de hand is, blijft lang onduidelijk. Het begon met een droom waarin hij thuiskwam van zijn werk en dat zijn huis, compleet met vrouw en kinderen, verdwenen was.

Hij deed navraag bij de buren. Het hele dorp Horn was er nog, alleen zíjn huis was weg. Hij deed navraag bij de buren, maar die kenden hem niet. Ze keken hem aan alsof ze hem nog nooit hadden gezien. Alsof er een gek voor de deur stond die vroeg naar iets wat er nooit was geweest. De vriendinnen van zijn vrouw zeiden nooit van haar te hebben gehoord. En zijn kinderen dan? Nee. Totaal onbekend. Hij was overal op onbegrip gestuit en in een hopeloze zoektocht terechtgekomen.

De droom doet aan Kafka denken, en later in het boek, tijdens een proces, komt die gedachte nogmaals op. Timo voelt zich een loser en is het daarom ook. Door de vorm die Van Reen heeft gekozen, de derde persoon, in de verleden tijd, kan hij alles wat zijn karakter overkomt en zijn gedachten daarbij weergeven. De voortdurende maalstroom van overpeinzingen en herinneringen levert een innerlijke monoloog op die je ademloos maakt. Als bij een psychiater spuit Timo alles eruit wat hem al zo lang dwars zit. Waarschijnlijk gebruikt de auteur dit om zijn gram kwijt te raken, met name wat betreft de integriteit van stadsbestuurders. Een wethouder verliest immers zijn geloofwaardigheid als hij mensen begunstigt. Van Reen noemt cliëntelisme ‘een sluipende ziekte die politici aantast, meestal zonder dat ze het in de gaten hebben.’ Timo haalt klanten binnen door ze hier op te wijzen. Pas dan wil een wethouder weten of hij zijn zakelijke belangen voldoende heeft gescheiden van zijn publieke functie. Pas dan laat een raadslid zijn nevenactiviteiten door hem doorlichten omdat hij zich kandidaat wil laten stellen voor een wethouderspost. Vergeleken bij zijn collegae is Timo een watje. In eigen ogen is hij een advocaat van ‘gemene zaken’. Hij weet hoezeer zijn gewonnen zaken mensen benadeeld hebben die volledig in hun recht stonden.

In zijn wereldje was veel toegestaan, als je het maar stiekem deed. Hoe meer je de praatjes van je afhield, hoe beter het was. Je mocht in werkelijkheid een beest zijn, als je naar buiten toe maar een nette burger bleef. Schone schijn was alles in Roermond. Als je stropdas maar goed zat, dat was belangrijk.

Wie zoals Timo in het leven staat, kan niet gelukkig zijn van het legale kruimelwerk dat hij moet verrichten. De migraine waaraan hij lijdt is het directe gevolg ervan. Zijn arts, dokter Koedooder (What’s in a name?) heeft hem Xanax voorgeschreven. ‘Een, nooit twee.’ Maar Timo negeert dat. Daarbij gebruikt hij ook nog Ritalin, om zich te kunnen concentreren. Hij bestelt de medicijnen in Duitsland en is er inmiddels aan verslaafd. Hetzelfde zou je over alcohol kunnen zeggen.

Hij merkte dat het medicijn al werkte. Zijn hoofd werd lichter. Zijn handen trilden niet meer zo heftig. Hij zou zo maar kunnen zingen, maar dat kon niet in deze stille en nette buurt waar de meeste mensen pas na negen uur wakker werden.

Het mag duidelijk zijn, dit verhaal werkt toe naar een catastrofe. Want wat is waarheid en wat is fictie in de beleving van deze in het leven verdwaalde advocaat? Op vernuftige wijze neemt Ton van Reen je mee in Timo’s denkwereld die zich steeds meer ontpopt als een hallucinatie of een bijna-doodervaring. Fascinerend is dat het nergens zweverig wordt. Integendeel, juist die scheidslijn tussen de keiharde werkelijkheid en de ‘verdwenen stad’ zorgt ervoor dat Van Reen zijn lezer aan zich weet te kluisteren.

Hij was al een eind de weg op, toen hij het idee kreeg dat er iets vreemds aan de hand was. Het was net of hij ergens reed waar hij onbekend was, terwijl hij dit toch al dertig jaar deed. Opeens zag hij het. Met een schok.
De contouren van de stad Roermond, aan de overkant van de Maas, waren verdwenen.


Met De verdwenen stad heeft Ton van Reen weer een juweel aan zijn oeuvre toegevoegd. In slechts 152 pagina’s schept hij een complete wereld, en de ondergang daarvan. Het is een kritisch boek dat precies op het juiste moment verschijnt en meer zegt over de ‘ons-kent-ons’- cultuur die zo ‘doodnormaal’ voor velen schijnt te zijn en tegelijkertijd de bron van veel kwaad is. De verdwenen stad is een moedig boek dat je om meer dan een reden lezen moet.