De verleider van Damascus van Daad Kajo
Recensie door Guus Bauer (29 mei 2012)

Daad Kajo (1973) is opgegroeid in Syrië en kwam op vijfentwintigjarige leeftijd naar Nederland. De verleider van Damascus is haar debuutroman.

Balsam blijkt al jong een hoogst getalenteerd bespeler van een inheems snaarinstrument. Hij omarmt zijn oed als ware het een mooie vrouw. Hij weet de snaren zo te bespelen dat dorpsbewoners haast in trance raken, vooral de vrouwen. Hij is voorbestemd om een heel grote kunstenaar te worden, als zijn familie dat toelaat.

Hij is de enige zoon in een gezin met oudere zussen en heel veel tantes. Al vanaf zijn vierde is hij zich heel bewust van seksualiteit en lichamelijk genot. Kajo beschrijft het opgroeien van de jongen op overtuigende wijze. De schrijfster is ten gunste van haar mannelijk personage in de tekst verdwenen. Zo hoort het! Haar taalkeuze is zeer origineel, de wensen, angsten en vragen die Balsam heeft, zijn voor jongens en mannen zeer herkenbaar.

De vader van Balsam is de onderwijzer en waar andere dorpelingen hun zonen naar voren schuiven en verdedigen, heeft hij eerder oog voor diens fouten. Hij vindt hem maar een verwend papkindje en eist van hem louter de hoogste cijfers. En zelfs dat is niet goed genoeg. Balsam was liever de zoon van een ‘onwetende’ ouder geweest.

Kajo schrijft sterke scènes, velt Salomonsoordelen over haar personages. Door zich te verplaatsen in de jongen stelt ze (ongeschreven) dorpswetten aan de kaak. Voor vrouwen geldt eigenlijk alleen: mond dicht, hoofd omlaag en altijd rechtstreeks naar huis lopen. Vrouwelijke seksualiteit wordt doodgezwegen. Het intacte maagdenvlies wordt tot een obsessie. De meisjes bieden in alle heimelijkheid alleen hun achterste aan. Waarom is het mannelijk lichaam eigenlijk niet gekenmerkt met een soortgelijk kuisheidsbewijs? Zo verzucht Kajo bij monde van Balsam.

Een buikdans in het openbaar betekent zoveel als verwijdering uit de gemeenschap. Geheel terecht staat op het omslag: ‘dubbele seksuele moraal werkt als gif’. Seksuele behoeften worden genegeerd, onderdrukt en men zoekt afleiding, met alle gevolgen van dien. Kunnen de personages ontsnappen uit deze gevangenis?

Balsam vertrekt naar Damascus en later ook naar Frankrijk, Duitsland en Nederland. Met een vrouw aan wie hij door een kind gebonden is. Werkelijke passie voor haar ontbreekt. Hij speelt in allerlei landen voor halfdronken Arabische immigranten. En dan verschijnt Barna bij een optreden op de dansvloer, een jonge vrouw die is gevlucht voor de moraal, ‘echtgenoot’ van zijn vriend Edison. Zinderende hoofdstukken volgen. Tussen de regels door vertelt Kajo over haar eigen verwondering over de westerse wereld.

Na tweehonderd pagina’s wisselt de schrijfster alsnog naar een vrouwelijk perspectief. Aan de ene kant is dat jammer, maar het levert ook een mooi inkijkje in de psyche van een Arabische bakvis op, de stem van de volwassen Barna wordt hierdoor uitgediept en de situatie in haar thuisland wordt verklaard. Het wordt duidelijk wat voor trukendoos een vluchteling soms open moet trekken om geliefden over te kunnen laten komen, om ze te redden van een vaak rigide moraal. De liefde is in dit boek de grote verliezer én de grote winnaar.

Al met al een zeer zinnelijk geschreven boek, in een niet gezochte poëtische stijl. Zo’n indrukwekkend debuut kan alleen ontstaan als je je als volwassene in korte tijd een nieuwe taal eigen moet maken. Het zorgt voor een frisse invalshoek. Het exotische, zangerige, mysterieuze van het Arabisch sluimert af en toe door. Een roman als een opzwepende buikdans, Daad Kajo weet precies op de juiste plekken de sluiers op te laten waaien.