De waarheid over de zaak Harry Quebert van Joël Dicker
Recensie door Guus Bauer (12 januari 2014)
Het kan gevaarlijk zijn om schrijvers als (hoofd)personages te nemen voor je roman. Je moet uit goed – laten we zeggen John Irving – hout gesneden zijn om geen irritatie op te wekken. De pas achtentwintigjarige in Zwitserland geboren Franse auteur Joël Dicker schreef met De waarheid over de zaak Harry Quebert een kloeke American novel in de traditie van, inderdaad, John Irving en bijvoorbeeld ook Richard Russo. Een prestatie, alleen kan Dicker literair gezien niet in de schaduw staan van de beide grote Amerikaanse schrijvers.

De uitgever presenteert dit werk als ‘de literaire sensatie uit Frankrijk, een briljante pageturner, een internationale bestseller’. Best, er zijn inderdaad aldaar een miljoen exemplaren verkocht. En dat is begrijpelijk. Het boek zit vormtechnisch knap in elkaar. Noem het beestje voortaan maar bij de naam: een degelijke thriller. Ja, ook uw recensent las de 632 pagina’s achter elkaar uit.

Sterauteur Harry Quebert heeft zich in de kleine Amerikaanse plaats Aurora in New Hampshire teruggetrokken. (Aurora, de godin van de dageraad. Er zijn zeventien Aurora’s in de Verenigde Staten, maar niet in New Hampshire. Versleuteling, zullen we maar zeggen. Een van Harry’s adviezen aan de beginnende schrijver: ‘Schrijf uitsluitend fictie. Met de rest haal je je alleen maar moeilijkheden op de hals.’) Aan een tafeltje in een ‘diner’ heeft hij aldaar in de jaren zeventig een meesterwerk geschreven dat miljoenen keren over de toonbank is gegaan. De roman Wortels van het kwaad verhaalt van een onmogelijke liefde. (Een ietwat bizarre titel voor een dergelijk boek, al wordt die tegen het einde wel verklaard.)

Het is voorjaar 2008 en een pupil van Quebert, Marcus Goldman, van de leeftijd van Dicker, lijdt aan een writer’s block. Zijn eerste boek was uiterst succesvol, maar ja, een van de grootste hobbels is het tweede boek. Wat te doen met de opvolger, meer van hetzelfde, of iets totaals anders? (De waarheid over de zaak Harry Quebert is Dickers tweede roman.) Goldman moet en zal een meesterwerk schrijven.

De deadline nadert en hij wendt zich tot zijn mentor Harry Quebert. Die, vereenzaamd, laat hem wat graag naar zijn buitenhuis in Aurora komen. Harry kookt voor hem, voert lange gesprekken en gaat met hem hardlopen en boksen. Dan wordt bij toeval in de tuin het stoffelijk overschot gevonden van een jonge vrouw met in haar tas het typoscript van De wortels van het kwaad, de roman die zorgde voor de grote doorbraak van Quebert. Het blijkt om ene Nola te gaan, de domineesdochter die meer dan dertig jaar geleden als vijftienjarige zoek is geraakt. Harry’s godin van de dageraad zullen we maar zeggen.

Harry wordt afgevoerd en de elektrische stoel dreigt. Dan gaat vriend Goldman op zoek. En het moet gezegd: Dicker weet de lezer veelvuldig op een ander been te zetten. Je moet gewoonweg wel doorlezen. Er volgt beloning op beloning. Het zit heel anders in elkaar dan men gaandeweg vermoedt. Dicker is tot aan de allerlaatste bladzijde consequent in zijn, ha, ‘literaire’ spel. In het dankwoord komen uitsluitend personages uit het boek aan bod, alsof De waarheid over de zaak Harry Quebert eigenlijk door Goldman is geschreven.

Tussen de hoofdstukken door staan de eenendertig regels voor het schrijven, het leven en de liefde die Harry ooit aan zijn pupil heeft gedoseerd. Het zijn nogal gemeenplaatsen. ‘Het eerste hoofdstuk is essentieel.’ ‘Iedereen kan schrijven, maar niet iedereen is schrijver.’ ‘Het leven is één grote valpartij. En het belangrijkste is dat je leert hoe dat moet.’ ‘Boeken draaien niet om woorden, maar om mensen.’ ‘Een boek schrijven is hetzelfde als van iemand houden: het kan enorm veel pijn doen.’ ‘Een boek is een gevecht.’ ‘Laat je verhalen rijpen.’ ‘Mislukkingen geven smaak aan je triomfen.’ ‘Een goed boek is een boek waarvan je het jammer vindt dat het uit is.’

Het is maar de vraag of de lezer zit te wachten op de ‘inzichten’ die deze jonge auteur via zijn personage Quebert te berde brengt. Het neigt naar pedanterie. Gelukkig beslaan ze nooit meer dan een paar regels.

Overslaan en doorlezen, want Dicker heeft zeker een groot narratief vermogen en hij kaart en passant bekwaam de hypocriete Amerikaanse seksuele moraal aan. Maar wellicht had de tekst, indachtig Harry’s lemma, nog iets langer kunnen rijpen, misschien wat ingedikt kunnen worden. Het is overigens een raadsel waarom het boek van Quebert een enorme (virtuele) hit is geworden, getuige de ronduit sentimentele, om niet te zeggen kleffe, passages die uit De wortels van het kwaad zijn opgenomen.

Dicker geeft tussendoor een hilarisch beeld van de werkwijze van een grote Amerikaanse uitgever en de manier waarop de marketing en de juridische afdeling de koers bepalen. De verkoop boven alles. Het creëren van een zeepbel. Goldman kan met een knip van zijn vingers over een dozijn ghostwriters beschikken, maar het spreekt voor hem dat hij toch een gedegen boek over zijn bevindingen aangaande Harry Quebert wil schrijven.

Moord, plagiaat, schuld, spijt, boetedoening, dreiging, jaloezie, liefde, mededogen. Niets menselijks is de bewoners van Aurora vreemd. Het leven blijkt bij velen gebaseerd op een leugen. Laten we Julian Barnes aanhalen in dit kader: ‘Every lovestory is a potential griefstory.’ Een van Harry’s waarheden: ‘Marcus, weet je wat de enige manier is om je liefde voor iemand te meten?’ ‘Nee.’ ‘Hem of haar kwijtraken.’ Tsja, daar valt niets tegenin te brengen.

Goldman wilde koste wat kost een beroemd schrijver worden. Het is een heerlijke gotspe dat leeftijdsgenoot Dicker met deze roman zo’n ongekend succes heeft. Goldman bij een van zijn gesprekken met Quebert:

‘Hoe weet je dat je schrijver bent, Harry?’
‘Niemand weet dat hij schrijver is. Dat hoor je alleen van anderen.’


Vooruit: Joël Dicker is een schrijver. Na deze weergaloze thriller, tijd voor een ‘echte’ roman?!