De ziekte van Kortjakje van Mira Feticu
Recensie door Guus Bauer (9 april 2013)
De Roemeense taal is een Slavisch slagveld

De Nederlandse schrijfster Mira Feticu (1973) debuteerde begin 2012 sterk met Lief kind van mij. Kan zij die lijn met haar tweede roman De ziekte van Kortjakje voorzetten? Is de van oorsprong Roemeense soms zo ingeburgerd dat we, gezien de titel, hier te maken hebben met een typisch geval van Hollandse literatureluur? Niets is minder waar. Het proza van Feticu heeft internationale allure, zeker wat betreft taal en opbouw.

De hoofdpersoon in De ziekte van Kortjakje heet toevalligerwijze ook Mira en scheert derhalve dicht langs het leven van de schrijfster zelf. Hier is iemand aan het werk die zichzelf in haar teksten helemaal geeft. Op het exhibitionistische af. Maar juist doordat de realiteit als het ware een tikkeltje gekanteld is, is dit minder confronterend dan men denkt. Zelfspot werkt helend.

Net als in de eerste roman wordt er flink geworsteld met het huwelijk, masturbatie die eerder op bestraffing lijkt, een kinderwens die niet gedeeld wordt, ongeïnteresseerde ouders en een papa die in een ver verleden zijn handen niet thuis kon houden. Maar vooral is er het gevecht met de taal. Dat vreselijke Nederlands dat maar niet eigen te maken lijkt. Juist die strijd zorgt voor de originele stem.

Haar (in het boek van oorsprong Roemeense) man begrijpt eigenlijk niets van haar. Hij vindt haar te neurotisch voor het moederschap. Zij is niet bereid, of eerder niet geschikt, om simpelweg te leven. Dat alles wordt veroorzaakt door ‘de Grote Ideologische Vrieskou’ van het communisme, de feitelijke ziekte van Kortjakje. De Roemeense geheime dienst Securitate leeft in haar hoofd nog voort.

‘Ik meet de haat tussen ons. In bed, in het donker. Als ik me naar hem toe beweeg en hem ruik, proef ik de geur van mijn man, de vertrouwde geur die ik ken. De haat verstopt zich dan onder het bed, als een verjaagde kat. [ … ] Wat doet hij eigenlijk voordat hij in slaap valt? Meet hij ook de haat tussen ons?’

Mira werkt bij een bibliotheek in Rotterdam. Rond het middaguur komt op een dag een ouder mannetje met een dikglazige bril aan haar balie om Spinoza vragen. Na een stuk of vijf verzoeken om het boek met rij-examentheorie schuurt ze bijna van genot over haar stoel ‘alsof hij me een injectie geluk kwam toedienen’. Tussen haar man en haar groeit op dat moment een vijfde jaargetijde. De winter zal niet gevolgd worden door een lente. Moet ze zich in de armen van deze meneer Koopman, een docent filosofie, werpen. Er volgt een bevreemdend soort afstoten en aantrekken.

Tussendoor voert Feticu een oma op die het communisme als een politiek voor landlopers beschouwde, erger dan lepra. Tot ergernis en angst van de inwonende ouders van Mira kan oma haar klep niet houden. Het levert interessante inkijkjes op in het leven achter het gordijn van Ceauþescu. Maar weinig mensen in het Westen zijn (nog) geïnteresseerd in politieke misdrijven.

‘Maar alleen als je heel je leven op de maan of in Nederland gewoond zou hebben, had je misschien van kleins af aan niet de ziekte van het communisme onder de leden gehad. Want bij ons werd iedereen ziek, je werd ziek zonder dat je het wist. De ouders ziekere dan de kinderen, de leraren zieker dan de ouders.’

Mira en haar man besluiten er even tussenuit te gaan naar een vakantiehuisje bij een manege. Ze hervinden de paardengeur uit hun jeugd. ‘In bed,’s nachts, was het alleen wij twee. De haat was thuisgebleven.’ Tevreden zitten ze na alweer een goed verlopen dag hand in hand op de veranda. Hij vindt dat er niets ontbreekt. Zij begint weer over haar kinderwens en de tijdelijke idylle, dat krampachtige vakantiegevoel, spat uiteen.

‘De ziekte van het communisme heeft me geleerd, altijd de essentie uit te spreken en geen ruimte voor interpretaties te laten. Duidelijk zijn, leren hoeveel kracht in een woord besloten ligt.’

Dat is met De ziekte van Kortjakje gelukt, al laat Feticu veel aan de verbeelding van de lezer over.