Door het vanggat van Aly Freije
Recensie door Ezra de Haan (15 augustus 2016)

Mijn landschap wijkt, gaat ondergronds

Door het vanggat is het Nederlandstalige debuut van Aly Freije. In 2009 verscheen Wondpoeier, een bundel poëzie in het Gronings. Voor haar gedichtenreeks In lichtbundels daanst t stof ontving ze in 2008 de Freudenthal-prijs voor Nedersaksische literatuur. In de laudatio van de jury werden de gedichten, die in vertaling in haar laatste bundel werden opgenomen, vergeleken met Dylan Thomas’ wellicht bekendste gedicht ‘Fern Hill’. Het ging daarbij om het vastleggen van een jeugd op het platteland, het betoverende daarvan. Freije is docent aan de Schrijversvakschool Groningen en recensent poëzie voor het literaire weblog Tzum.

Soms vraag ik mij weleens af hoe men tegenwoordig op ‘Fern Hill’ zou reageren. Veel dichtbundels die op het moment verschijnen, zijn wars van schoonheid, klank of rijm in welke vorm ook. Oeverloos zijn de persoonlijke ontboezemingen, al of niet in metaforen. De lengte van regels en strofen overschrijdt iedere grens. Er verschijnen zelfs bundels die eerder doen denken aan de verzameling notities en gedachten die men noteert lang voordat men overgaat tot het schrijven van een gedicht. Je krijgt een kijkje in de hoofd van de dichter, zijn strijd met de materie en dat is het.

Ook zijn we blijkbaar dol op semi-filosofische opmerkingen die niet bepaald wereldschokkend zijn. Alles wordt in de strijd gegooid om aan te tonen dat we niet van de straat zijn… En het spreekt haast vanzelf dat klank- of binnenrijm dan uit den boze is. We zijn, althans zo schijnt het, immers als de dood dat een gedicht mooi dreigt te worden. Ik heb zo mijn vraagtekens bij deze ontwikkeling van de Nederlandse poëzie die saaie opsommingen verkiest boven met grote nauwkeurigheid gekozen woorden of geformuleerde regels. Met andere woorden: Ik lees liever Door het vanggat dan veel bejubelde bundels van de afgelopen tijd.

Voor iemand uit de stad is het haast een openbaring te lezen hoe iemand van het platteland zijn leven en omgeving ervaart. Op zich is dit niets nieuws. In 1820 publiceerde de boerenknecht John Clare de dichtbundel Poems Descriptive of Rural Life and Scenery. De ‘boerendichter’ uit Northamshire was er succesvol mee. Zijn beschrijvingen van het idyllische en eenvoudige landleven beleefden een, zij het kort, moment van roem. Aly Freije groeide weliswaar ook op het platteland op en kent derhalve het leven daar tot in ieder detail, toch is haar kijk op die dagen als die van een buitenstaander. Ze ziet de restanten, de sporen ervan en brengt ze, uiterst zuinig met woorden, weer tot leven. In zes strofen schrijft ze op waar je normaal 383 pagina’s voor moet lezen. (Ik denk hierbij aan de roman Over het doppen van bonen van de Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski.)

Doorgang

In woekerstruiken schuilt een zichtmachine
messen verroest, het stoeltje boven nog waakzaam intact

ze gooit touwladders van taal uit, kreukelijzers
trekken recht, raderen gaan krakend draaien

op de dwarsstreep verschijnen twee spitse oren
een vloeiend hoofd met wapperharen, een deinende rug
spierbundels drijven benen aan, langzaam groeit een paard
het landschap in

ze beklopt de flanken, schuift een halster om, spant hem in
tussen de dissels van haar verlangen, beklimt haar uitzichtpost
het paard gooit zich in de riemen, rijdt de oogstmachine ratelend
het maaiveld in

tijd komt haar in razend tempo tegemoet, schuim vlokt
op haar gezicht, tot ze op het keerpunt komt en stokt
het paard valt stapvoets stil.


‘Doorgang’ is niet het enige gedicht waarin paarden een rol spelen. Soms staan ze voor uitbreken, soms voor emoties zoals wilde hartstocht. ‘Paarden galopperen haar bloedbanen door’ is daar een voorbeeld van. In het gedicht ‘Amazone’ beschrijft Aly zichzelf als ruiter, wellicht ook als dichter met woorden die er niet om liegen:

Amazone (fragment)

Beheersing wil ik tussen voor- en achterhand, de ingehouden
erotiek van een vorstin die met knoet en herenhoed
hoog aangespannen borsten, vaardig van hand haar paard
bestuurt


Maar Freije schrijft vooral goed en veel over dat wat er niet meer is. Een suikerfabriek, de ouderlijke boerderij in Veelerveen vlak bij het Moorland, haar vader, hoe hij was en wat hij haar leerde, een arbeidershuisje bij boerderij Onrust of die van Torringa in Reitdiepdal. Haar taal is die van het land, ze kent woorden die op mij exotisch voorkomen: zaaigoed, zwartbont, wondpoeder, natte zomp, heidestobben, hokkelingen. Vaak ken ik de woorden die ze benut wel, maar ook dan verrast Freije mij door ze zacht over elkaar te laten kruien, door strofen achter elkaar te plaatsen die steeds weer voor nieuwe inzichten of gevoelens zorgen.

Het zijn gedichten die je zacht voor jezelf voor moet lezen, waar je de woorden van kunt proeven als je je er de tijd voor gunt. En dat is wat Freije je met deze bundel leert: er is ook nog plaats voor schoonheid. Die kun je vinden in je jeugd, in jouw omgeving, of heel ver weg, want Freije schijft ook over Berlijn, Andalusië en Tibet, maar het belangrijkste is bij jezelf te rade te gaan. Daar kun je de woorden vinden die genoeg zijn. Ruim voldoende zoals in deze bijzondere dichtbundel Door het vanggat.