Duivelsklauw van Felicita Vos
Recensie door Ezra de Haan (14 april 2014)

Sla nooit je ogen voor iemand neer

In 2008 verscheen Blauwe haren, zwarte ogen : de Romacultuur van binnenuit. Het was een indringend portret van Felicita Vos waarin niet alleen haar eigen levensverhaal maar ook dat van vele andere Roma, Sinti en gitano’s beschreven werd. Het boek kenmerkte zich door een soepele stijl en door interviews die naadloos met de eigen ervaringen van Vos werden verweven. Wim Brands besprak het boek met Felicita Vos in zijn programma Boeken en de vijf drukken die het boek tot nu toe mocht beleven, kenmerken het enthousiasme waarmee het werd ontvangen.

Zes jaar na haar eerste boek verschijnt Duivelsklauw, het literaire debuut van Felicita Vos. Het is een indrukwekkende roman waarin het verhaal van Gina Brandt, haar vader Heina en het ongelukkige huwelijk van haar grootouders zonder enige terughoudendheid wordt beschreven. Dat toont de moed van de auteur, vooral omdat er pijnlijke zaken naar boven komen, vooral wanneer het over de Tweede Wereldoorlog gaat. Maar voor het zo ver is heeft de lezer al een geschiedenis achter de kiezen die er niet om liegt.

Duivelsklauw is de confronterende titel die Vos voor deze roman heeft gekozen. Die verwijst naar de invloed van een tirannieke grootvader, Hendrik Brandt, op zijn familie. Drie generaties maar liefst hebben er last van. Dat Heina Brandt, zijn zoon, ook ontspoorde verwijt ze Hendrik. Heina wist zich voor een periode aan zijn verleden te ontworstelen, maakte carrière, verloor desondanks toch de controle, begon te drinken en stierf te jong. Wat hem zo deed veranderen maakt vragen los. Felicita Vos duikt in het verleden van de familie. De verhalen over Hendrik, de zoon van een turfsteker, komen boven, een Drent die met Lina, een Lowara, trouwde. Lowara waren Roma die in paarden handelden. Subtiel schetst Vos de entree van Hendrik in de Romagemeenschap. De lezer voelt meteen aan dat dit moment later gevolgen gaat krijgen.

‘Hendrik viel door zijn markante verschijning direct op in de danstent. Ondanks zijn lengte waren zijn bewegingen soepel, katachtig haast. Hij danste niet, daar hield hij niet van. Hij observeerde. Gebiologeerd volgden zijn ogen de dansende Romameisjes, maar hij kwam niet dichterbij. Als een schim had hij de kumpania dagenlang achtervolgd. Op een vreemde manier vereenzelvigde hij zich met hen. Hij was een ontheemde binnen zijn eigen leefgemeenschap, altijd al geweest.’

De blonde reus valt voor de kleine, tengere en donkere Lina en schaakt haar. Dagen later komt ze terug, nu met gevlochten haren en een hoofddoek omgeknoopt. Iedereen kan zo zien dat ze de vrouw van een man is. Van een huwelijk is echter geen sprake geweest… Om gezichtverlies te voorkomen wordt Hendrik in de gemeenschap opgenomen. Het gaat echter niet van harte. Englo, de vader van Lina en leider van de kumpania, ziet de bui al hangen. Zijn woorden blijken later voorspellend.

‘Die raklo, die Hendrik, of hoe hij ook heet, is niet uit het juiste hout gesneden om het burgerleven vaarwel te zeggen. Hij heeft een zwarte ziel, let op mijn woorden, zijn duivelsklauw zal jou, jullie kinderen en allen die zijn bloed dragen niets dan onheil brengen.’

Lina’s leven met Hendrik wordt een hard leven. Hij kiest voor het schippersleven, met als gevolg dat zijn vrouw het contact met haar familie verliest. Op het vrachtschip ontpopt Hendrik zich als een walgelijke man die er schik in heeft aan de reinheidsregels van zijn vrouw voorbij te gaan. Hij wil dat ze er voor anderen als een gewone schippersvrouw uitziet terwijl hij haar zelf voor ‘Dämliche schwarzer Zigeuner’ uitscheldt. Wanneer Lina zwanger is van haar derde kind, drijft werkeloosheid het gezin naar Rotterdam waar Hendrik uitbater van een café wordt. De familie verhuist naar de Schiedamsewijk, een straat in het uitgaanscentrum van Rotterdam waar Hendrik, tot afschuw van Lina, als bordeelhouder aan de kost komt. Lina, inmiddels ‘Zwarte Lina’, moet na afloop van gedane diensten de kamers van de meisjes schoonmaken. Het volgende kind is alweer geboren en er zit nu eenmaal niets anders op dan zich neer te leggen bij de gang der zaken. Hendrik ziet zijn kinderen als marionetten die figureren in een door hem geregisseerd poppenspel. Hij speelt ze tegen elkaar uit en is bij vlagen onmenselijk hard als hij hen ‘stevig aanpakt.’

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog heeft een grote impact op het gezin. Hendrik wordt Bauleiter voor de Organisation Todt op het vliegveld Deelen. Zijn baan geeft hem, naast een inkomen, meer bewegingsvrijheid terwijl hij tegelijkertijd voor de veiligheid van zijn gezin kan zorgen. En het zou Hendrik niet zijn als hij er ook niet zijn persoonlijk gewin in zou zien. Terwijl hij voor de vijand werkt en voor de geallieerden tekeningen van het vliegveld maakt en bomen laat kappen zodat de landingsbaan zichtbaar wordt, bedreigt hij in zijn uniform mensen wanneer ze hem niet aanstaan. Hij vordert een villa waarvan de oorspronkelijke bewoners, twee Joodse dames, ondergedoken zijn. Ook de persoonlijke bezittingen neemt hij in beslag. Zelfs voor de Duitsers maakt hij het te bont.

‘Die Brandt staat bij ons niet bijster goed aangeschreven, hij is glibberig en watervlug, maar we moeten nu eenmaal van dergelijke elementen gebruik maken,’ zei de andere officier schouderophalend.’

Hendrik trekt zich er niets van aan. ‘Soms moet je anderen in elkaar schoppen om zelf niet ontmaskerd te worden.’ Die houding komt hem duur te staan wanneer de oorlog ten einde loopt. Het regent klachten over hem. Provocateur en verklikker te zijn bleek een riskante onderneming. Niet alleen Hendrik maar ook Lina wordt gearresteerd. Maar ze verzwijgt al zijn wandaden, net als haar vrees voor hem. Zijn dreigement haar en haar kinderen op transport te laten zetten is iets dat niemand hoeft te weten. En ondanks alles was hij de vader van haar vijf kinderen… Hendrik zelf ontkent alles en veinst door diverse hersenschuddingen zich niets meer te herinneren. Toch verliest hij zijn Nederlanderschap.

Alles wat hiervoor beschreven werd, is slechts een topje van de ijsberg: veel groteske en afschuwelijke scènes waarin het slechte karakter van Hendrik tot uiting komt, om niet te spreken van het effect op zijn kinderen en vrouw, moeten gelezen worden, niet samengevat. Dat zij getraumatiseerd worden, mag duidelijk zijn. De rol van de man zelf blijft altijd dubieus, ook als hij ‘goed doet.’ Alle informatie over het verleden is het resultaat van gesprekken met familieleden en archiefonderzoek. Soms worden vage verhalen plotseling pijnlijk helder, een volgende keer neemt het rookgordijn toe. Zoals zo vaak in families het geval is, leiden verhalen hun eigen leven. Wanneer de verteller ervan zelf ook een rol speelt, blijkt er vaak een draai aan gegeven te worden. De weg die Gina moet gaan is een lange. Af en toe helpt haar broer Mozart haar, vaker nog staat ze er alleen voor. En gedurende het rouwproces rond de dood van haar vader en de diverse pomana’s die daarbij horen, gaat ze het leven van hem en zijn ouders na. Tot het punt komt dat het ook haar te veel wordt. Het dringt tot haar door dat het belangrijkste antwoord niet in archieven kan worden gevonden, maar alleen in het leven zélf.

Duivelsklauw is een knap geschreven roman waarin een eeuw geschiedenis, zowel van de Nederlanders als van de Roma en daar weer de kinderen van, beschreven wordt. Wat hen overkwam, voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, maakt beelden los in de lezer die niet snel vergeten gaan worden. Juist omdat Felicita Vos het verhaal van de Roma van binnenuit beschrijft, zonder er doekjes om te winden, komt het keihard aan.