Een land met gesloten deuren van Tjalie Robinson
Recensie door Ezra de Haan (4 januari 2013)

Heimwee is beter dan Holland

Tjalie Robinson (1911-1974) was het pseudoniem van Jan Boon, die al tijdens zijn leven een legende was. Het was een van de vele pseudoniemen waaronder hij schreef. Als Vincent Mahieu schreef hij onder meer Tjies (1956) en als Jan Pennaert schreef hij voor de oudere jeugd in de krant. Toch zal hij waarschijnlijk vooral als Tjalie Robinson de geschiedenis ingaan. Tjalie, de schrijver van de onvergetelijke reeks Piekerans van een straatslijper (1965). En laat ik zijn bijdragen aan het tijdschrift Tong Tong niet vergeten. In Tjalie Robinson kwam de Indische journalist en verteller pas echt tot zijn recht en groeide Jan Boon uit tot de spreekbuis van de Indische gemeenschap. Zijn artikelen werden wekelijks door tienduizenden gelezen.

Tjalie Robinson voelde zich kind van oost en west en toch was hij, toen hij in Nederland belandde, een immigrant als alle andere. Als een buitenstaander bekeek hij de Nederlandse samenleving en schroomde niet om daar onverdroten kritiek op te leveren. Iets wat hem niet altijd in dank werd afgenomen. Interessant is dat de stukken die hij in de jaren vijftig schreef, nu verzameld in Een land met gesloten deuren, niet verouderd zijn. Waarschijnlijk herkent menig immigrant van nu zich in wat Robinson toen schreef. Blijkbaar is er weinig veranderd in ons landje.

Soms is wat Tjalie Robinson opvalt voorspelbaar, zeker voor een Nederlander. Neem de winterse koude of het uitblijven van de lente. Of hoe klein de interesse is van de gemiddelde Nederlander voor de ervaringen of de dilemma’s van de immigrant. Robinson houdt ons de spiegel voor en toont ons genadeloos onszelf. Al is het vaak met een grimlach.

Een land met gesloten deuren is een tijdloos boek. Vooral omdat de auteur zich voortdurend blijft verbazen over het gedrag van de Hollander. Hoe we ons maanden van tevoren voorbereiden op de vakantiemaand en dat kantoren en bedrijven daar verlofschema’s voor klaar hebben liggen. Hoe verschillend we met onze haat omgaan. Robinson vergelijkt de onze jegens de Duitsers die alweer vergeten is en die van de mensen in het Oosten jegens de Japanner. Hij verbaast zich over de invloed van het geloof op de samenleving en het feit dat religie altijd en overal aanwezig is. Hij snapt niet dat een in een zo overgeorganiseerde samenleving nog zoveel ongelukken voor kunnen komen.

‘Juist deze overdreven zuigelingenzorg maakt dat de gemiddelde weggebruiker in slaap kan vallen op straat. Elk snijpunt waar de tekens niet duidelijk genoeg zijn, moet dus automatisch fataal worden. Je bent al zoveel kilometers gekoekoet (verzorgd), de komende twintig meter zul je ook wel gekoekoet worden. En ben je dat niet, dan ben je de sigaar. Ik heb zo’n idee, dat als je 100 Hollanders plotseling met de fiets op Gadah Mada of Hajam Woeroek zou neerzetten, de helft binnen een half uur vermorzeld zou zijn. In Indonesië geldt voor ieder mens: take care for yourself. En iedereen doet dat ook.’

Hij moet lachen om het uitgebreide weerbericht.

‘Dat er morgen weer regen is en een temperatuur van twaalf graden, dat is okay genoeg, lijkt me toe. Maar dat dit nog verklaard en uitgelegd moet worden, dat vind ik weer volkomen onnodig. Met depressie hier en hoge druk daar, met temperatuurverschillen en windstromingen en zo. Bovendien klopt ondanks al die uitleg de diagnose vaak toch niet.’

Hij maakt zich druk over wat men in het Nederlandse zakenleven normaal vindt. Voor alles zijn vakopleidingen, moet je examens doen en moet je gekwalificeerd zijn. Iedere werkzaamheid is nauwkeurig omschreven en alles is uitgekiend. Zonder diploma’s kun je het wel schudden. Dat geldt voor de beginnende uitgever, kok en zelfs voor de voddenman. En ook voor het kindermeisje staan de eisen op papier. Waar in Indonesië een meisje de baby gewoon op de heup neemt en voedt, verwacht men in Nederland dat je eerst je MULO afrondt. Natuurlijk overdrijft Tjalie regelmatig, het gaat immers ook om de glimlach in zijn stukken. Soms maakt hij heel duidelijk dat wat wij heel vanzelfsprekend vinden ook anders bekeken kan worden.

‘Wat mij verbaast, is het altijd bedacht kunnen zijn op belangen van anderen, zelfs van de laagsten. In Holland is democratie geen ideaal, maar een feit.’

Ook het oer-Hollandse klagen over de samenleving en het geweld dat vervolgens los kan barsten, komt aan de orde. Tjalie Robinsons woorden zouden niet misstaan in de krant van nu maar zijn meer dan een halve eeuw geleden geschreven.

‘De wrevel in Holland over veel vrijheidsbeperking is grote dan de oppervlakkige lust tot kankeren zou vermoeden. Is eenmaal het hek van de dam, dan slaat men er behoorlijk op los. Veel opgekropte ergernis baant zich opeens een uitweg. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk hoe gemakkelijk men ertoe overgaat om grof of onredelijk op te treden tegen politieagenten. Veel kloppartijen zijn een plotselinge cumulatie van lang opgekropte ergernis. Fatsoen in Holland is misschien in werkelijkheid lang niet zo aangeboren als het wel lijkt. ‘

En de jeugd krijgt, zoals altijd en in alle tijden, er flink van langs in de stukken van Robinson. Ook in zijn tijd deed men van alles om de kinderen te vermaken en hadden de leraren het desondanks moeilijk. Voor Tjalie, iemand met een Indonesische achtergrond en gewend aan de harde hand, is het onbegrijpelijk wat de Nederlandse kinderen allemaal mogen. Met weemoed denkt hij terug aan Pak Wongso’s school van goed fatsoen, waar men leerde zich rustig en beschaafd te gedragen.

‘De wijze waarop jongelui zich op straat en in de tram gedragen, is vaak buitensporig. Kinderen zijn schreeuwerig en brutaal, vernielzuchtig en ongezeglijk. Ze leren slecht op school en kennen geen manieren. Ogen dwingen niet meer en slaan wordt zeer verfoeilijk geacht.’

Naarmate Tjalie Robinson langer in Nederland verblijft, zie je de heimwee in hem groeien. Hij is een vreemdeling in een vreemd land gebleven. ‘Met al hun aardigheid tegenover bruine mensen staan Hollanders hier toch verder van ons af dan zelfs “koloniale” Nederlanders in Indonesië.’ Hij mist de vriendenkring van vroeger die vanzelfsprekend en eeuwig gastvrij was. In Holland kent men geen zoete inval van vrienden of kennissen, laat staan dat ze blijven slapen als het laat is geworden. Een bezoek wordt uitgestippeld zodat men tegen etenstijd weer kan opstappen. ‘In Indonesië stond de deur altijd open. En je etenskast en je frigidaire.’ Teleurgesteld moet Tjalie iets constateren: ‘Het merkwaardige feit doet zich voor, dat Holland officieel niets heeft tegen Indonesië, maar de huisdeuren toch wel dicht blijven voor Indonesische figuren.’

Tjalie Robinsons Een land met gesloten deuren toont het Nederland van toen en vooral hoe het was voor hen die naar Holland kwamen. Er blijkt, zoals gezegd, weinig veranderd. Dat geldt voor het land en ook voor de wijze waarop we mensen uit andere landen ontvangen. Door de bril van Tjalie Robinson bekeken is ons gedrag regelmatig lachwekkend en schaamteloos tegelijk. Vaak heb je een buitenstaander nodig om die dingen helder te zien. Tjalie Robinson kon dat als geen ander, vooral omdat hij zijn gepeperde mening niet voor zich hield.