Er moet sprake zijn van een misverstand van Mark Boog
Recensie door Ezra de Haan (27 januari 2010)

Onvolmaaktheid verleent glans

Er moet sprake zijn van een misverstand is de vijfde dichtbundel van Mark Boog. Er staan 79 gedichten in. Misschien zijn dat er wel teveel. De bundel heeft iets weg van de wandeling naar dat uitzicht waar iedereen het over heeft. In afwachting ga je steeds harder lopen. Pas op pagina 12 sta je stil. Het gedicht heet ‘Onze afwezigheid’. Hier laat de dichter zien waar hij toe in staat is en waarom hij bekend staat: machteloosheid verwoorden.

Onze afwezigheid

Onze afwezigheid was verklaarbaar
uit de hoogte van de bomen
uit het gras, dat gemaaid moest worden,
uit de vogels, de wolken, de gaten.

Zo lang niets zeggen dat het zwijgen heet,
verdwijnen wordt genoemd, dat het
nog maar moeilijk kwaad kan
worden genomen. Het grijs van de lucht:

wij. Zoektochten werden afgeblazen,
honden teruggeroepen, nieuwsberichten
vergeten. Beweeg je niet,
dat geeft maar kringen in de vijver.


Het is een gedicht dat aan het schuldig landschap van Armando doet denken. De natuur verraadt hen die er niet meer zijn. En wat de denken van de topregel: ‘Zo lang niets zeggen dat het zwijgen heet’. Want waar begint het zwijgen te heten en hoe lang moet je daarvoor niets zeggen? Mooie observaties die het gedicht gewicht geven. Het noodlot hangt immers in de lucht. Ook de laatste regels mogen er wezen: ‘Beweeg je niet, dat geeft maar kringen in de vijver.’ Weer gaat het om de vraag of iemand iets moet zeggen of zwijgen. Of de natuur moet laten spreken.

‘De mens is de mens een wolf’ laat mij opnieuw stilstaan in Boogs bundel. Homo homini lupus was het uitgangspunt van de dichter. Door meteen driftig te gaan schrappen, beent hij het gedicht en de klassieke woorden uit tot op het been. Het levert een parlando gedicht op dat ergens iets van Kurt Schwitters ‘Anna Blume’ heeft. Zij het kaler, als kromtaal voor buitenlanders. En juist daardoor ontroerend mooi. ‘Mens mens wolf, jij mij ree.’ Of iets verder in het gedicht: ‘Mens mens wolf, ik jou wat? Droefgeestig staren, blijmoedig springen…’ Het meest geslaagd is de laatste strofe:

De mens de mens een wolf.
Je ontwijkt de strikken langs de bosrand,
de blikken in het open veld: verlangens,
ontloopt een schemering lang
het onvermijdelijke.


De wereld van Boog is vaak een boze en hij weet dat als geen ander te verwoorden. Amper twee gedichten later dwingt Boog mij als lezer weer tot stoppen. De gedichten ‘Adem’ en ‘Grammatica’ vormen een tweeluik waarin spreken en niet spreken en ook weer de afwezigheid een belangrijke rol spelen. ‘We spreken niet graag van oneindigheid, maar zwijgen is als slechte adem’. Mooi hoe een reclameslogan plotseling poëzie wordt. Ruzie staat op til, het gekibbel vangt aan en dat wordt prachtig beschreven.

Dat ik zo subtiel ontken dat ik het niet weet.
Maar jij wel, want je zegt het.
Ik ontken. Een uur vergaat aan wrijving.


In ‘Grammatica’ gaat deze ‘wrijving’ door. ‘Je zegt wat gezegd moet worden en zwijgt.’ Woorden die ertoe doen, al zijn ze van persoonlijke aard. Ik vervolg mijn wandeling door de bundel, sta stil bij ‘Zoals een paard’, een mooi doorkijkje. Het gedicht ‘Men verdraagt zich maar moeizaam’ is het begin van een reeks gedichten die een hoogtepunt binnen de bundel vormt. Eigenlijk verdiende deze reeks meer dan onderdeel te zijn van afdeling I. Hier had een redacteur zijn hakken in het zand moeten zetten. Vooral omdat de mooie regels je keer op keer verbazen. Ik noem er een paar:

Als adem vergaan de wolken, nergens stokkend, mij benomen weliswaar maar prachtig (uit: ‘Men verdraagt zich maar moeizaam’)

Men omgeeft zich met de ruimte die nodig is / om ongelukkig te zijn. Niet dan stuurs / begaat men zijn handeling. (uit: ‘Som’)

Men voert zijn gevolg de afgrond in, een ordentelijke, ernstige processie, bekreunt zich om het weer, om pijntjes, om de stemming. (uit: ‘Zijn gevolg’)

Natuurlijk kan men leren de leegte van zich af te schudden (uit: ‘Natuurlijk’)

Het verliezen van gedachten, hoewel begerenswaardig, is de dood. (uit: ‘Het verliezen van gedachten’)


Bijzonder goed is het ‘Men-gedicht’ ‘Keizerrijk’. Een gedicht dat gedachten aan politici en draaikonterij losmaakt. En dus helaas van alle tijden is.

Keizerrijk

Men schept zich het keizerrijk dat men wil,
past desnoods de wensen aan,
en werkt vandaar vastberaden aan een ondergang
die ten minste groots, onverwacht en tragisch dient te zijn.

Dat alles blijft onopgemerkt, zodat in alle rust
de kronieken geschreven kunnen worden.

Niets aan dus. Onvolmaaktheid verleent glans
en dient te worden nagestreefd.


Afdeling II van de bundel bestaat uit ‘jongere’gedichten van Mark Boog. Ze missen het patina van poëzie waarop de tijd zijn sporen heeft nagelaten. Ze zijn lichter van toon en meer op een anekdote gebaseerd. Dat maakt ze niet minder maar wel anders. Zo laat ‘Ons ordenen’ hetzelfde zien als het gedicht ‘Keizerrijk’, maar dan braver. Meer gehurkt, zeg maar op kinderniveau. Je ziet het al bij de eerste strofe:

Ons ordenen hield stand.
Binnen de lijntjes kleuren!
Wereld gehoorzaamt.


Ook in ‘Er moet sprake zijn van een misverstand’ hoor ik de echo van een ander gedicht van Mark Boog: ‘Adem’. Al blijft het een goed gedicht. ‘Ziekenhuismaaltijd’ is treffend, maar biedt niet meer dan herkenning. Dubbele lagen, het lezen tussen de regels komt minder voor bij het jongere werk. Het idee, het uitgangspunt deugt, maar de definitieve vorm blijft vaak uit. En zo blijft het gedicht vaak eenduidig.

De tweede worp van Boog valt dus wat tegen. Misschien moeten we het als een kijkje in de keuken zien. Wellicht heeft het enthousiasme van de dichter voor zijn ‘jongste kinderen’ hem parten gespeeld. Of heeft hij indachtig zijn eigen gedicht ‘Keizerrijk’ bewust voor onvolmaaktheid gezorgd. Onvolmaaktheid verleent immers glans.