Extaze 14 : Kellendonk
Recensie door Ezra de Haan (19 augustus 2015)

Het veinzen

Het vijftiende nummer van literair tijdschrift Extaze is een bijzonder nummer, met name voor de liefhebbers van Frans Kellendonk maar ook voor hen die willen weten wat diverse kopstukken in de huidige literatuur van zijn werk vinden. Net als het, vrij snel uitverkochte, Couperus-nummer belooft ook deze Kellendonkode een collector’s item te worden. Althans dat mag je verwachten met bijdragen van schrijvers als Arnon Grunberg, A.H.J. Dautzenberg, Jaap Goedegebuure, Oek de Jong, Tomas Lieske, Rob Schouten, Niña Weijers en Joost Zwagerman. In ieder geval is het weer een eigenzinnig en daardoor typisch Extaze-nummer geworden, mede dankzij de illustraties van Rens Krikhaar die erg goed aansluiten bij het werk van Kellendonk en de reacties daarop. De reden voor het maken ervan was tweeledig. Kellendonk is immers vijfentwintig jaar geleden op negenendertigjarige leeftijd gestorven. Daarnaast verscheen, ter herinnering aan zijn scherpe en vaak tegendraadse proza, een ruime selectie van de brieven die hij schreef, Frans Kellendonk : de brieven, ingeleid en samengesteld door Oek de Jong en Jaap Goedegebuure.

Dat de bijdragen van Goedegebuure en De Jong hout snijden mag duidelijk zijn. Beiden zijn ze goed thuis in de materie. Goedegebuure belicht nogmaals de hetze tegen Kellendonk die ontstond naar aanleiding van Mystiek lichaam en de rol die Aad Nuis in deze speelde. Ook, en dat is wellicht interessanter, gaat hij in op de preoccupatie van Kellendonk met het joodse denken. Daarbij valt het ‘oprechte veinzen’ op en wat Kellendonk daar eigenlijk mee bedoelde. (Kellendonk verwijst hiermee naar een vorm van ironie die ertoe dient om te benadrukken dat in de kunst en literatuur gepresenteerde werkelijkheid artificieel is, zelfs nu we als publiek bereid zijn om voor de duur van de voorstelling ons ongeloof op te schorten en ons over te geven aan de theatrale illusie).

De bijdrage van Oek de Jong behelst de toespraak bij de presentatie van Frans Kellendonk : de brieven en is een uitleg hoe het boek tot stand gekomen is en hoezeer de brieven van de te vroeg overleden auteur bijdragen aan zijn literaire nalatenschap.

Alle grote namen ten spijt is de bijdrage van Peter J. van Dijk waarschijnlijk een van de meest verfrissende en intieme. Waar alle ander auteurs moeizaam zoeken naar een originele benadering van Kellendonk en zijn boeken, koos Van Dijk voor een aardse: de beschrijving van een toespraak van Kellendonk in 1986 te Harlingen waarbij hij stevig van leer trok tegen zijn criticasters. Juist door de persoonlijke ervaring, de gedachten die Van Dijk had, de opmerkingen die hij en zijn vrouw maakten, krijg je meer inzicht in wat Kellendonk teweeg bracht dan in vele van de andere artikelen.

Vergelijk dat eens met het hoogdravende stuk van Rob Schouten met de titel ‘Balzac, Toergenjev, James, Kellendonk’ waarin hij zijn ontmoeting met Frans Kellendonk ‘een ontmoeting van niks’ noemt. Zijn net tweeëneenhalve pagina tellende ‘essay’ is dat ook. Ondanks alle namedropping blijkt de zo belezen Schouten precies dat niet gelezen te hebben waar het om gaat. Uitgebreid belicht hij de vertaling van Henry James door Kellendonk en de mogelijke effecten daarvan op zijn schrijven. Hij heeft het over de afstand die Kellendonk tot zijn personages bewaart. ‘Natuurlijk, het zijn karikaturen, maar meer dan dat.’ Blijkbaar is Schouten vergeten dat Kellendonk meer vertaalde. Bijvoorbeeld twee boeken van Wyndham Lewis, de auteur die de mens als machine beschreef, emoties overbodig vond en uitging van de daad. Wellicht gaat er nu een belletje rinkelen?

Ook Grunberg maakt zich er enigszins makkelijk vanaf in zijn artikel ‘Overbodigheid’. Zoals gebruikelijk bij hem gaat hij uit van een detail dat vervolgens overdreven belicht wordt. Vanzelfsprekend kiest hij voor: ‘Flikkerij en jodendom, dat was van hetzelfde overbodige laken een pak.’ Vervolgens jongleert hij met de begrippen overbodig en angst. Erg diep gaat het niet. En op zijn laatste regel ‘Waarheid is wat blijft, wat niet overbodig kan worden verklaard’ wil ik zeggen: Zoveel mensen, zoveel waarheden…

Heel wat interessanter en origineler is de aanpak van Dautzenberg. Hij beoordeelt Frans Kellendonk naar de ‘ondergrens van zijn oeuvre’. Het slechtste verhaal of de meest mislukte roman. (Het is te hopen dat hij deze truc slechts bij Kellendonk uithaalt. Hoe lang zal de lijst bij sommige Nederlandse auteurs niet worden…) Deze nieuwe visie op een oeuvre zorgt voor scherp lezen zonder wederom te vervallen in een bejubeling van een auteur die in feite de herhaling van een herhaling is. Door zout op slakken te leggen ga je meteen anders naar de stijl van Kellendonk kijken. En natuurlijk vind je bij iedere schrijver wel een slechte passage of formulering… Toch is dit een animerend stuk van Dautzenberg. Ook omdat hij vast voorspelt hoe de ontvangst van het Verzameld werk in het jubileumjaar er straks zal uitzien.

De bijdrage van Tomas Lieske is verrassend. Steeds herinnert hij de lezer eraan dat het artikel over Frans Kellendonk gaat en vervolgens drijft hij dan weer ver weg van het onderwerp. Het gaat eerder over de dood, zowel die in het oeuvre van Kellendonk, als bij Nádas, als zijn eigen ervaring met een hartinfarct. Deze vlinderachtige beweging levert veel op en zorgt ervoor dat je door blijft lezen. Lieske op z’n best.

Cor Gout maakte voor dit nummer gebruik van Jaap Goedegebuure als gastredacteur. Desalniettemin is het een echte Extaze gebleven. Door bijdragen van Niña Weijers en Joost Zwagerman is het ook een beetje een Weijers-nummer geworden en daarmee heeft ook de huidige generatie zijn weerklank gekregen. Het veinzen wordt door Weijers en Zwagerman dikwijls bezongen. Een ding mag duidelijk zijn: Kellendonk speelt nog steeds een rol in de Nederlandse literatuur en is allesbehalve gedateerd (zoals Grunberg beweert). Deze Extaze 14 en het net verschenen brievenboek zijn het bewijs daarvan.