Gideons droom van Ernst Jansz
Recensie door Ezra de Haan (31 januari 2014)

Kon ik maar alles loslaten

Ernst Jansz is bekend geworden als muzikant in bands als CCC Inc. en Doe Maar. Tegelijkertijd is Jansz een begenadigd schrijver van een langzaam maar zeker uitdijend oeuvre. Een belangrijke titel daarin is de roman De overkant (1985), waarvan de definitieve editie in 2009 verscheen, nu met CD en DVD. Die bijzondere combinatie van tekst en muziek is inmiddels een handelsmerk van Ernst Jansz geworden. Ook Molenbeekstraat (2006), het dubbelportret van zijn ouders en de eigen jeugd in Amsterdam, werd van muziek voorzien. Zelfs Dromen van Johanna (2010), een brievenboek over het vertalen van de songs van Bob Dylan, bevat twaalf liedjes van Dylan in naadloze Nederlandse vertaling. En waar de vertaling afwijkt is het nooit zonder reden, dat blijkt maar al te zeer uit de eindeloze overpeinzingen van Jansz.

Er was echter ooit een debuut: Gideons droom, verschenen in 1983. Dertig jaar later verschijnt de herdruk. Deze keer met muziek van Ernst Jansz. Er staan zelfs krontjongversies van bekende Doe Maar-nummers op de CD. Ook bijzonder is het uitgebreide voorwoord van de auteur waarin hij het ware verhaal achter Gideons droom beschrijft. De dromerige sfeer van het boek, iets wat hem indertijd verweten werd, blijkt haaks op de heftige werkelijkheid van toen te staan. Ook maakt de lezer kennis met een ander talent van Jansz. Hij blijkt niet alleen te kunnen zingen en schrijven. Tekenen kan hij ook, getuige de schetsen van lang geleden. In de uniforme band die inmiddels bij de boeken van Ernst Jansz hoort, valt wederom een staaltje van schitterend tekenwerk van Peter van Dongen te bewonderen. In één plaatje vat hij de hele roman samen.

Gideons droom kreeg er flink van langs in 1983. Wellicht vond men toen, in tegenstelling tot nu, dat een schoenmaker zich bij zijn leest moest houden. Een popmuzikant mocht geen boeken schrijven. Wat zijn de tijden veranderd. Iedere Bekende Nederlander heeft inmiddels diverse publicaties op zijn naam staan. Ze zingen, dansen, schilderen, schrijven, presenteren, het kan allemaal niet op… Vaak denk ik bij de zoveelste presentatie van zo’n boekje aan Herenleed en Armando en hoe hij pedant te berde bracht dat hij ‘kon schilderen, violen en danseresje.

De kritiek deed Jansz geen goed. Hij schreef verder en steeds beter, iets wat bleek uit de kritieken die volgden. Gideons droom kreeg overigens ook wel goede kritiek. Men had het over ‘droomachtig en teer, iets wat niet van deze wereld is.’ De schrijver besloot na decennia het boek weer eens te lezen en kwam erachter dat het allemaal wel meeviel. Met zijn voorwoord in gedachten deed ik hetzelfde.

Om te beginnen probeerde ik Gideons droom in de tijd te plaatsen, de jaren tachtig vol van naweeën van de jaren zestig en zeventig. Wat las je in die dagen? Inderdaad De Papalagi, het reisverhaal van een stamhoofd afkomstig van de Samoa-eilanden op reis in West-Europa… Niet voor niets rept Ernst Jansz erover in het voorwoord. Maar ook Herman Hesse en Carlos Castaneda. Dromerige boeken over mogelijke en onmogelijke werelden. Wie was niet in de ban van Siddhartha, Narziss en Goldmund of De steppenwolf?

De invloed van dit soort literatuur is inmiddels vrijwel vergeten. Zij het dat de Amerikaanse schrijver David Vann daar vorig jaar verandering in bracht met zijn roman Aarde (Dirt, 2012). Tijdens een interview stelde ik hem een alternatieve titel voor: Het gevaar van het lezen van Hesse. In Aarde laat Vann namelijk zien wat er met jonge mensen kan gebeuren wanneer ze helemaal opgaan in een literaire schijnwereld. En niet voor niets speelt het boek zich in 1985 af…

Dat Ernst Jansz dit overkwam, heeft te maken met andere factoren. Zo heeft hij het in zijn voorwoord onder andere over een identiteitscrises. Om weer in het rechte spoor te komen gaat hij, met een vriend, in 1980 naar India. Maar daar staan hem heftige ervaringen te wachten. Honger, dood en drugsverslaving bij anderen, mensen die hem naar het leven staan, een zwaar motorongeluk en als altijd, de liefde. De mix van dit alles met een sausje van enigszins esoterische literatuur zorgt voor een sprookje dat in werkelijkheid geen sprookje maar eerder een nachtmerrie was. Dat kon de kritiek van die dagen niet weten. Nu is dat anders. We krijgen de waarheid via het voorwoord, vervolgens het verhaal en dan nogmaals, een andere waarheid in het nawoord. En meteen snap je waarom Jansz voor de vorm van een droom koos.

Dromerig, teer, de woorden die de criticus van indertijd koos, passen inderdaad prima bij het boek. En ook schaamteloos romantisch… zoals Jansz zichzelf noemt wanneer hij zichzelf in die periode beschrijft.

Zelf zie ik eerder een schrijver die zich totaal blootgeeft in proza dat soms iets sensitiefs heeft (‘Hanen riepen en spechten vlogen ju-ju-jubelend van de ene boom naar de andere’) en soms aan Bomans’ Erik of het klein insectenboek doet denken. Er is sprake van vervreemding, onthechting en pijn. Nu zijn gevoelens altijd gevaarlijk in de literatuur, zeker wanneer personages die openlijk uiten en niet kiezen voor het hedendaags cynische dat blijkbaar gewoon geworden is. Inderdaad: Jansz geeft zich bloot en schrijft: ‘Een gevoel van geluk kwam over hem, maar zo dichtbij was de pijn van herkenning dat de tranen hem over de wangen stroomden.’ Of: ‘Elke handeling was zo simpel, zo vol van een rustige vanzelfsprekendheid, dat het hem pijn deed.’

Maar is dit erg of niet literair? Is het larmoyant? Ik durf nee te zeggen. Ook omdat ik schrijvers van alle tijden lees en dan net zo goed Byron, Goethe, Brönte en Bilderdijk bij het grootvuil kan vegen. Ik heb geen angst voor emoties, ook niet als ze worden uitvergroot. En natuurlijk zou het boek vandaag de dag een andere taal kennen, maar dat doet er helemaal niet toe. Juist door de toon die Ernst Jansz indertijd koos, kijk je met zijn ogen, weet je tegenwoordig dat sommige teksten van Doe Maar dicht bij zijn debuut stonden. Alleen waren die korter door de bocht, het betrof immers popmuziek.

Ik lees in Gideons droom een weergave van die donkere dagen van tachtig. Het wachten totdat de bom valt. Er viel niet zoveel te lachen… Jansz schrijft: ‘Zo, zonder levensvreugde, slijten de mensen er hun dagen en zijn er weinig die de weg naar buiten kennen en terugkeren naar huis.’ Maar ik lees meer. Zo zie ik ook een voorbode van de roman Molenbeekstraat in Gideons droom. Weliswaar schetsmatig, maar wat mag je meer verwachten van een debuut? Dat schetsmatige is waarschijnlijk de reden geweest dat enkele critici destijds negatief reageerden. Wie het ware verhaal kent (dankzij het voorwoord), vult de hiaten in. Dat voordeel had men indertijd niet. Men moest het met kleine tekstblokjes doen en veel wit. Jansz schreef zijn debuut met zo min mogelijk woorden, als een droom die in flarden tot je komt. Misschien hoopte hij op een goede verstaander of mikte hij op een mystiek effect. Met veel van zijn scènes kun je, wanneer je ze als metafoor gebruikt, immers alle kanten op. Dat is echter iets waar ik niet op uit ben. Ik herken De aantekeningen van Malte Laurids Brigge van Rilke in sommige momenten in dit boek. Het zijn de dolende dromerige wandelingen in een leven zonder doel.

‘Wakker worden betekende slechts veranderen van droom, van realiteit. Soms vond hij zichzelf in de kroeg, of lopend langs de grachten. Het was winter en koud en de eenden zaten dicht bij elkaar in het water. Meeuwen vlogen boven de stad. Hun gekrijs was er altijd. Of waren het de kraaien op het strand waar de zon schijnt?’

Veel van wat Jansz schrijft heeft een dubbele bodem. Neem het verhaal van prinses Irene. Haar teruggetrokken leven in een grauwe benauwde Parijse woonkazerne krijgt de vorm van een kort sprookje in Gideons droom. Eigenlijk vind ik het wel prettig om even middels de tijdmachine van Ernst Jansz terug te gaan in de tijd toen je nog dromen mocht in de literatuur. Liefst met de CD zachtjes op de achtergrond, zodat je hoort wat je leest.