Haarlem nocturne van Djordje Matić
Recensie door Ezra de Haan (23 december 2015)

Zo verwant met hen

Djordje Matić (Zagreb, Kroatië) woont sinds 1993 in Nederland en studeerde Engelse en Italiaanse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 2013 verscheen in Kroatië zijn dichtbundel Lingua franca. Matić is niet alleen dichter maar ook essayist, vertaler, criticus, redacteur en zanger in de Haarlemse cross-over band Gadjo Orkestra. Tevens was hij coauteur van Het Lexicon van de Joegoslavische Mythologie.

Om iedere vorm van twijfel over zijn bedoelingen uit te sluiten heeft Matić de verklaring van twee woorden in zijn dichtbundel opgenomen. Nocturne en Ballingschap. Trefwoorden bij ‘nocturne’ zijn: melancholie, nachtzang, dromerig en muziekstuk. Bij ‘ballingschap’ valt vooral deze regel op: ‘Vrijwillige ballingschap, sterke uitdrukking voor: vrijwillig gekozen, doch smartelijke afwezigheid uit zijn land.’ En daarmee hebben we ook de thema’s van de dichtbundel Haarlem nocturne te pakken. Het boek bestaat uit twee delen: ‘Een ander geluid’ en ‘Blauw’.

Een citaat van H.C. ten Berge gaat vooraf aan ‘Een ander geluid’: ‘Wat strijd om het bestaan was/ werd de kunst van overleven.’ Ballingschap klinkt door in deze afdeling van de dichtbundel. ‘Een ander geluid’ is een mooie variant op Gorter. Die schreef in zijn Mei ‘een nieuw geluid’. Matić geeft de Nederlandse literatuur ‘een ander geluid’. Zijn geluid. Dat geluid gaat samen met een eigen visie. Het is de kijk van de buitenstaander die ons Nederlanders een spiegel voorhoudt. ‘Wat een rumoer deze taal/ wat een angstaanjagend gebrom.’ Zijn achternaam blijkt onuitspreekbaar voor ons te zijn, zo blijkt uit een gedicht.

Uit: Ik heb niet meer één naam (fragment)

Ik heb niet meer één naam
ik heb meerdere versies ervan
honderd verschillende manieren waarop ze
-een naam als deze- onmogelijk
geschreven en gesproken hebben.

Eerst, geïrriteerd en dreigend
aan de grenzen, in treinen en bussen
bij de politie, in gemeenten en op ambassades
ongeïnteresseerd, in postkantoren en banken
hoe ze gevochten hebben met de naam
die arme ambtenaren hier, en ik met hen.
Ze probeerden, ze worstelden ermee
benaderden het met sympathie.
Ze werden boos en sloten er vrede mee
ze voegden letters toe, trokken klanken af
verplaatsten de accenten, zochten de juiste intonatie
ze knepen hun ogen samen, fronsten
en hapten naar lucht voor ze langs de uitspraak roetsjten.


Ik vrees dat alle gevoelens die in dit gedicht de revue passeren voor vrijwel iedere in Nederland wonende buitenlander opgaan. Inclusief alle vluchtelingen die op dit moment bij ons toevlucht zoeken. ‘Anders’ genoemd worden, de vreugde als iemand, uit eigen land, jouw naam doet opleven door hem op de juiste wijze uit te spreken…

Zonder ook maar ergens larmoyant te worden maakt Matić ons deelgenoot van zijn gevoelens en ervaringen. Neem zijn gedicht ‘Steeds minder’ waarin hij beschrijft hoe een documentaire over Rothko deels wordt gewist door het opnemen van een documentaire over Dubrovnik. Juist het moment van de grens tussen twee werelden en hoe hij dat opschrijft, bevalt mij zeer.

Uit: Steeds minder (fragment)

Nu kijk ik, met een kilte die ik niet ken
wachtend op die onvermijdelijke witte breuk
dat moment, een seconde lang
wanneer de trage, fijne wisseling van verticale kleuren
-brandend rood, roestbruin, aquamarijn en wit-
teleurgesteld zal ophouden
opdat zich iets toont waar ik – eindelijk en voor het eerst
geen zin in heb om naar te kijken.


Met deze prachtige metafoor schetst Matić de lastige spagaat waarin de nieuwe Nederlander zich bevindt. Het is een daar en hier en nergens thuis. Of zoals hij zelf schrijft: Ik bezing andere steden/ omdat ik die van mij niet meer bezingen kan.

‘Blauw’ is de afdeling in deze bundel waarin de jazz aan bod komt, de geestverwanten van Matić, de goden van de jazz, zij die door kleur buitengesloten werden. Niet voor niets verwijst de titel Haarlem nocturne naar de Harlem Nocturne, een zeer geliefde jazz standaard. Net zoals ‘Blauw’ verwijst naar de melancholie van de blauwe maandag, de ‘Blue train’ van John Coltrane en het blauwe oog dat Ben Webster Billie Holliday ooit sloeg. Prachtig getypeerd, in taal die bij de jazz-artiesten past, passeren de mannen die de jazz op hoog niveau brachten de revue. De ballingen van hun tijd: Miles Davis, Chet Baker, Dexter Gordon, Thelonious Monk. Djordje Matić herkent zich in hen en de beschrijving van zijn eenzame dagen in Amsterdam in het gedicht ‘De stad en die plek’ verschilt, qua sfeer, niet veel van het ontluisterende portret van Ben Webster, ooit The brute!, nu achter de geraniums van de Amsterdamse Waalstraat.

Maar de dichter is misschien toch thuisgekomen, dat maakt hij duidelijk in het lange gedicht ‘Haarlem Nocturne’ waarin de liefde voor zijn stad, die slechts een letter verschilt van zijn Amerikaanse naamgenoot, breed uitgemeten wordt. Djordje Matić bevordert zichzelf in Haarlem Nocturne tot ‘de Vliegende Balkaniër’ in een stad die steeds mooier wordt. Zijn dichtbundel is een wonderschone verwoording van wat ontheemding met mensen doet, waar ze ook vandaan komen en wat de reden voor hun buitensluiten ook is. De regels en metaforen die Matić kiest zijn virtuoos als de artiesten naar wie hij luistert. Hun blues klinkt door in zijn taal en laat je genieten. Al doet het soms pijn.