Hecht en sterk van Shrinivási
Recensie door Ezra de Haan (7 februari 2013)

Het alfabet wijkt bescheiden

Veel dichters die voor Suriname en het Caribische gebied van groot belang zijn geweest, hebben tot nu toe nooit de aandacht in Nederland gekregen die ze verdienen. Doordat er de laatste jaren steeds meer bloemlezingen van hun werk zijn verschenen, begint er langzamerhand iets te veranderen. Zo zag het haast vergeten werk van Ashetu weer het daglicht door Dat ik je liefheb en kwam er met Torent een man hoog met zijn poëzie eindelijk een vervolg op Ik zal zingen om de zon te laten opkomen van Michaël Slory. Een andere reus van de Surinaamse literatuur is Shrinivási. Een weinig van het Andere (1984) was de eerste bloemlezing van zijn werk door Geert Koefoed. De meest recente bundel van Shrinivási is Sangam (1991). Hecht en sterk is de tweede bloemlezing die van zijn werk verschijnt. Ook in deze bundel blijkt het een dichter van internationale allure te zijn.

Shrinivási is het pseudoniem van Martinus Haridat Lutchman. Hij werd op 12 december 1926 geboren op de grond Vaderszorg, Kwatta, in het district Beneden-Suriname. Zijn dichtersnaam is veelzeggend. Het is een samentrekking van de Hindi-woorden voor het goede of edele, voor Suriname en voor bewoner. De overgrootouders van de dichter waren contractarbeiders die vanuit Brits-Indië naar Suriname zijn gekomen. Shrinivási werkt in Paramaribo en het district Nickerie als onderwijzer. Pas als hij in 1951 naar Curaçao verhuist, legt hij zich toe op het schrijven. Albert Helman is degene die zijn eerste pennenvruchten mag lezen. In de jaren zestig woont Shrinivási in Nederland. Het is een land waar hij regelmatig naar terugkeert. Reizen vormt een belangrijk onderdeel van zijn leven. Zo bezoekt hij niet alleen het Caribisch gebied en Zuid-Amerika maar ook Europa, India en Indonesië. Shrinivási publiceert veel van zijn werk in eigen beheer en stelt de bloemlezing Wortoe d’e tan abra (Woorden die blijven) samen die herhaaldelijk wordt herdrukt. Voor zijn gehele oeuvre ontvangt hij, samen met Michaël Slory, in 1974 de Gouverneur Currie-prijs. Ook is hij drager van de Ere-orde van de Palm. Zijn bundel Sangam werd bekroond met de Literatuurprijs van Suriname. De Vedanta-prijs voor zijn oeuvre ontving hij in 2001.

Het consumeren van gedichten van Shrinivási laat je niet onberoerd. Op de een of andere manier legt hij de tijd stil. Zijn woorden roepen een haast meditatief lezen op. Haast hebben wordt belachelijk. Even in het hier en nu zijn, is essentieel. Zelfs kleine, korte gedichten bieden verstilling en na lezing inzicht. Daarmee zijn ze poëtisch en filosofisch tegelijk. Shrinavási citeert niet voor niets een fragment van nog zo’n grote Surinaamse dichter: Trefossa. Deze schrijft: ‘… deze kleine dingen zullen blijven; wat het leven aan de kant gegooid heeft of op de grond gesmeten, hecht zich sterk in je binnenste als goud in de wastrog.’ Shrinivási heeft oog voor alles, zelfs voor dat wat niet zichtbaar is. Het volgende gedicht is daar een goed voorbeeld van.

Lotosblad
dat het water
raakt
en
niet raakt

van deze wereld
en niet van deze wereld


Door het gedicht zowel in het Nederlands als in het Sarnámi op dezelfde pagina af te drukken zie je wat taal met een gedicht doet. Ook de twee gedichten vormen weer twee werelden.

Bijzonder aan Shrinivási is dat hij overal lijkt te kunnen aarden. Of hij nu over Suriname schrijft of over Curaçao, steeds weer zie je die liefdevolle, maar eerlijke kijk op de wereld om hem heen. Wie er ooit was, ziet het meteen voor zich.

Watermolenstraat, Paramaribo 1945 (fragment)

Fel ingebrande morgen
in de Watermolenstraat
dichtbij de Krabbesteeg
eng en luguber
toen een kotomisi
hem staande hield

het angstzweet brak hem uit
nog nooit aangeraakt
door een vrouw
en zeker niet op straat

Willemstad

De stad ontwaakt
de kalme dag

vol groeiend lichtbeweeg
ik loop
tot ik de kabbelende baai bereik
met fonkelende spetters licht

een barkje tokkert voorbij
en zij
naast mij
ernstig en niet spraakzaam
mijn arm even
om haar middel

dan nemen we de bus
kijken blij naar elkaar
en het is
alsof de aarde pas geschapen is
en nog ruikt naar water


Van bijzonder hoge kwaliteit zijn de gedichten die uit de bundel Sangam komen. Shrinivási klinkt als de wijze die vastlegt wat een leven lang leven heeft opgeleverd. Dat lukt hem zelfs in een kort gedicht zoals ‘Zindagi insán ki’.

Het leven van de mens
is als een luchtbel op de rivier
zonet nog zondoortinteld
is het plots uiteengespat.


Je kunt dit heel dramatisch beleven, een ander oplossing is berusting. Die visie op het leven geeft rust. Shrinivási verwoordt dat meesterlijk in ‘Toen realiseerde hij zich’.

Toen realiseerde hij zich
dat de rivier
toch maar één oever had
waarop hij stond
en naar de verte keek
waarin een beeld
uit vroegere dagen
langzaam maar zeker
was opgelost
zodat er toekomst
noch verleden was
verlangen niet
en eindelijk geen verdriet


Het beste gedicht in deze schitterende bloemlezing is voor mij ‘In de allerdiepste nood’. In zijn allerdiepste nood droomt de dichter zich een God en ziet waartoe die in staat is. Wonden worden weggemaakt, ze worden zelfs ‘de doodsslaap’ uitgetrokken. Groots zijn de beelden die Shrinivási kiest, de woorden die hij gebruikt en de regels waarmee hij eindigt.

In de allerdiepste nood (fragment)

die zelf geleden had werd door je smart geraakt
hij die verrezen, trok jou de doodsslaap uit

ik zie je ongeschonden, bijna onaards
en in een ander zwijgen
wat ik, sprakeloos, versta


In Hecht en sterk zijn vele prachtige gedichten van Shrinivási samengebracht. De bloemlezing bewijst dat de reikwijdte van zijn werk groter is dan die van het Caribisch gebied. Shrinivási schrijft over de onderwerpen die ertoe doen. En dat met de wijsheid… Wie hem niet leest, doet zichzelf tekort.