Het loopt het ademt het leeft van Helen Knopper
Recensie door Ezra de Haan (1 september 2016)

De enige mens aan wie ik mezelf kwijt kon

Helen Knopper (1934) had al een volledig oeuvre geschreven toen ze uit zicht van de literaire pikorde raakte. Ze debuteerde in 1966 met de dichtbundel Emotioneel Esperanto en de roman Osmose. Een voor haar typerend begin want Knopper heeft altijd flink geproduceerd. Met grote regelmaat verscheen er weer poëzie, een verhalenbundel of een roman. Een onfatsoenlijk afscheid, een roman met sterk autobiografische kenmerken, werd unaniem geprezen. In de jaren negentig schreef ze een drieluik over dit decennium: De pretentie, De terugtocht, De bestemming. Ondanks goede recensies werd het daarna stil en raakte ze in de vergetelheid, een radiostilte die 18 jaar duurde. Met Het loopt het ademt het leeft is Helen Knopper weer helemaal terug in de Nederlandse letteren. Haar boek staat zelfs genomineerd voor De Halewijnprijs.

Vriendschap is een ingewikkeld begrip. Soms verwatert het, soms levert het een voortdurende irritatie op. En toch houd je het in stand, wellicht uit gewoonte. In Het loopt het ademt het leeft beschrijft Helen Knopper haar tumultueuze vriendschap met Roos Bonheur, haar heksenketel. Ze was degene die goed kon luisteren, aandacht en troost schonk en vooral onbaatzuchtig was. Toch zijn de beschrijvingen van Roos’ mindere kant die we in deze ‘biografie van een vriendschap’ te lezen krijgen, genadeloos.

Zo zorgzaam als zij was voor anderen, zo compleet verwaarloosde zij zichzelf. Haar leven lag eeuwig in de kreukels. Hoe ze die weg moest krijgen, wist ze niet. Dat ze er ook geen moeite voor deed, stond voor mij vast, want te oordelen naar haar uitlatingen, heeft ze nooit iets in het leven gezien.

Wanneer haar dochter voor de deur staat om te vertellen dat Roos is overleden, schiet de ene na de andere herinnering aan haar Helen te binnen. Het zijn er zoveel dat Knopper er een boek mee kan vullen. Niet dat het altijd pais en vree was tussen die twee. Integendeel, regelmatig hadden ze ruzie, zeg maar gerust flinke bonje en na zo’n uitbarsting volgden er steevast weken waarin ze elkaar niet zagen noch groetten als ze elkaar tegenkwamen. Niemand begreep ook wat de schrijfster in Roos zag. Als twee mensen niet bij elkaar pasten, waren zij het wel. Maar dat vond de buitenwereld. Dat ze beiden fervente lezers waren, was onbekend. Daarbij waren ze hondenbezitters en -liefhebbers. Pas daarna begonnen de verschillen. Het structuurloze leven van Roos versus de orde en regelmaat van Helen. Het teruggetrokken leven van Roos tegenover dat van een globetrotter. Het verschil dat fnuikend was, bleek het drankgebruik. Roos ‘zoop als Maleier’, Helen slechts bij gelegenheid, black-outs ‘niet meegerekend’. Waar de een het bij minimaal drie alcoholloze dagen per week hield, begon de ander de dag met een dubbele graanjenever. Desondanks brengen ze zestien jaar van hun leven in gezamenlijke vriendschap door.

Roos leert Helen op een andere manier naar het leven te kijken. Wanneer ze een keer, op zoek naar een laatste afzakkertje, uitwijken voor wat luidruchtige junks, reageert Roos nogal heftig. ‘Jij noemt dat tuig? Het loopt, het ademt, het leeft, weet je wel.’ Even laat ze haar gebruikelijke ironie of sarcasme voor wat het is. Die levenshouding en ook de drankzucht van Roos waren niet uit de lucht komen vallen. Daar zat, en is het niet altijd zo, een verhaal aan vast. Ooit was haar been door een dronken automobilist aan barrels gereden. Tevens had ze last van angstaanvallen. Dan hoorde ze bommenwerpers overkomen… Roos gebruikte los van de alcohol ook nog de nodige andere redmiddelen: coke, seresta, valium, uppers en downers. Liefst door elkaar. Maar haar depressie liet zich niet bedwingen en de bijwerkingen bleken erger dan de kwaal.

Drie jaar na de dood van Roos begint Helen Knopper haar leven aan de hand van oude foto’s te beschrijven. Ze wil met haar in het reine komen, wil proberen te begrijpen waarom haar vriendin was zoals ze was. Meteen komen herinneringen op aan een van hun heftigste meningsverschillen. Het betrof de Franse schrijver Céline. Roos’ dochter geeft haar alle deeltjes ter nagedachtenis aan haar moeder. Samen met De bloemen van het kwaad van Baudelaire en het verzameld werk van Elsschot. In ieder boek van Céline staat: ‘Niemand mag dit stelen of lenen. Een geeltje hier en daar. Maar niet dit boek.’ Céline was haar god van wie ze hele passages uit het hoofd kende. Helen Knopper waagt het om juist die schrijver in een van haar boeken af te kraken. Volgens Roos bewijst ze daarmee alleen maar dat ze niet alleen Céline, maar ook de wereld niet begrijpt.

‘Zulke vuile dingen over Céline schrijven! Die zijn op jou terug te voeren. Jij zit zelf vol vuiligheid!’
‘Het enige wat ik heb gedaan, is hem aanvallen op zijn eigen argumenten, want die raken kant noch wal.’
‘Wat weet jij van Céline!’
‘Dat hij iemand is die zijn afschuw uitspreekt over de vermenging van blank en zwart, wat van hem een ordinaire racist maakt. Om maar niet te spreken van een andere benaming.’
‘Antisemiet. Dat wou je toch zeggen? Dat denken mensen van Céline die met lezen niet verder zijn gekomen dan aap, noot, mies. Wat ben jij eigenlijk, blind of achterlijk?


Het fragment maakt duidelijk dat deze roman geen theedrinkende bejaarde dames ten tonele voert. Niets en niemand wordt ontzien en vooral de schrijfster van het boek niet. Roos kan genadeloos zijn tijdens de ruzies en haar woorden worden door Knopper weergegeven in deze roman.

‘Jij bent helemaal een beetje maf.’
‘Hoezo? Omdat ik niet meedrink?’
‘Omdat je niet meedoet. Jij bekijkt het leven van een afstandje. Big Deal.’
‘Ken je mij zó slecht? Bovendien zou je dat niet gezegd hebben als je mij in mijn Leidseplein-periode had meegemaakt. Ik leefde van de straat. Ik had geen cent te makken. Elke avond zat ik te pokeren om aan een warme maaltijd te komen. Als ik Eylders binnenkwam, pakte ik gewoon iemands pilsje van tafel. En dan kreeg je de poppen aan het dansen.’
‘Daar heb je die schrijfster weer met haar verhalen over een roemrucht verleden. Ik snap wel waar je op uit bent, maar mij kun je niks wijsmaken. Jij bent nog nooit van je hele leven dronken geweest.’


Wat mensen bindt, is voor de buitenstaander vaak een raadsel. Liefde, vriendschap, het ligt dicht tegen elkaar en de dunne lijn met haat wordt maar al te makkelijk gepasseerd. Helen Knopper schreef met haar laatste roman een wonderschoon, maar rauw boek. Ze slaagt erin je deelgenoot te laten zijn van die heerlijke, maar vaak ook onmogelijke jaren met Roos. Het is een roman over echte mensen die je voor eens en altijd duidelijk maakt dat ouderdom er niet toe doet. Hoogstens dat je erdoor slijt. Het loopt het ademt het leeft maakt een groot verlangen los naar meer boeken van Helen Knopper. En ook naar herdrukken van boeken als Een onfatsoenlijk afscheid.