Jonker van Els Launspach
Recensie door Ezra de Haan (26 juni 2015)

De dingen waar niemand over sprak

Els Launspach (1951) studeerde theaterwetenschap en werkte voor diverse theater- en toneelgezelschappen. Daarnaast schreef ze essays, televisiescenario’s en jeugdboeken. Ze geeft les op de Hogeschool voor de kunsten, met name over de Griekse tragedie en Shakespeare. Haar roman Messire (2013) gaat over de leugen die Thomas More en Shakespeare creëerden door koning Richard III in het gelijknamige toneelstuk als een tiran af te schilderen. Via haar romanpersonage Jennifer Simpson bestrijdt Launspach die geschiedbeschrijving. De waarheid moet boven tafel. Haar visie, dat geschiedbeschrijving altijd een kwestie van persoonlijke belangen is geweest, speelt niet alleen in Messire. Ook in de roman Jonker speelt het een grote rol dat de visie van degenen die de informatiekanalen beheersen, beslissend is, ten koste van de waarheid. In Jonker gaat het echter over veel recentere geschiedenis: de politionele acties in Indonesië.

Soms kunnen lang vergeten brieven, als uit een doos van Pandora, helderheid verschaffen. Helderheid die zowel het verleden als het heden betreft. Het overkomt Jonker Duivendal in Jonker. Zijn poëtische achternaam staat haaks op dat wat de succesvolle architect gaat overkomen. Vrede is ver te zoeken, integendeel, alles en iedereen lijkt zich tegen hem te keren. Wellicht als gevolg van dezelfde karaktereigenschappen die hem ooit tot zo’n charismatische architect maakten. De katalysator die zijn leven in een stroomversnelling brengt, is het overlijden van zijn vader.

Tijdens de dienst overdenkt Jonker het mislukte prestigieuze bouwproject in Caen waarvoor men nu een ander bureau te Marseille heeft aangetrokken. Zijn reputatie loopt kans grote schade op te lopen door opmerkingen als: ‘de gedachten elders en nauwelijks luisteren naar de betrokkenen’. Hij bestrijdt dat laatste. Hij kan heel goed luisteren op zijn eigen manier. En toch lijkt de bewondering voor zijn ‘jongehondengedrag’ nu om te slaan in kritiek. Het overrompelende, superindividuele dat hem zo eigen is, roept nu verbeten gezichten op. Het is niet voor het eerst dat Jonker kritiek moet incasseren. Hij weet dat hij een solist is, zij het een solist in een collectief. Zijn gedachtegang waarin zelfs een nieuwe start met andere opdrachtgevers voor ogen staat, wordt abrupt onderbroken wanneer blijkt dat zijn oom Joost het te kwaad blijkt te hebben. Het gaat om de verstandhouding tussen zijn vader en oom Joost en ‘wat er aan ergs gebeurt tussen mensen.’ Meer dan dat weet Jonker niet uit hem te krijgen. Gevoelsmatig meent hij dat het iets met Indonesië te maken heeft.

Het valt Beth, zijn moeder, moeilijk om over Joost en haar man Conrad te praten. Liever geeft ze hem de stapel brieven die ze al die jaren heeft bewaard. Jonker begint ze te lezen. Wanneer men op zijn werk duidelijk heeft gemaakt dat het beter is als hij een ‘tijdje vrij neemt’, heeft hij daar alle tijd voor. Roeien, de sport die Jonker in een skiff uitleeft, past prima bij zijn karakter. Een ongeluk in de herfst vormt een prachtige metafoor voor zijn de gevolgen van zijn levenshouding. Het was het gevolg van een blinde hoek en onbekendheid met die plaats. Vreemd genoeg dringt die gedachte zich niet aan de architect op. Hij besluit juist eens wat minder vaak te checken of er iets aankomt. Liever concentreert hij zich op z’n slag. Mijmerend over de opmerking van zijn oom en de brieven die zijn moeder hem gaf, vergeet hij weer met regelmaat over zijn schouder te kijken. Pas wanneer een aak om de bocht verschijnt en hij het schip amper nog kan ontwijken, dringt het geluid tot hem door.

Naarmate de werksituatie van Jonker lastiger wordt, krijgt ook de briefwisseling van zijn oom en vader meer diepgang. De aanvankelijk vrolijke beschrijvingen van het dagelijks leven, met name in Indonesië, veranderen naarmate de strijd grimmiger wordt. Ook de relatie tussen beide mannen komt onder druk te staan.

‘Hoe scherpzinnig je ook bent, Conrad, je hebt geen idee van wat hier gebeurt. Grove stoere kerels veranderen in stille bescheiden mensen. Integere jongens blijken wreedaards te zijn die bij wijze van tijdverdrijf inlanders in hun kont schieten als ze langs de kant van de weg zitten te poepen. IN HUN KONT SCHIETEN, mensen die niets hebben misdaan. Had jij dat kunnen voorzien? Ik ben er allang achter dat jouw theorieën niets betekenen. De ‘humanité’ van Ravigné, menselijkheid als maatschappelijk beginsel?
En vertel eens: waarom ben ik hier en jij niet? Hoe komt het dat jij ginds achter je bureau zit? Ben je soms getrouwd om kostwinner te worden en zodoende dienst te ontlopen? Dat lijkt op een soort strategie, net als directief handelen.’


Terwijl Jonker het handelen van zijn vader helder probeert te krijgen, stapelen zijn eigen problemen zich op. De verbouwing van zijn eigen huis en de problemen die dat met de buren oplevert. De ruzie met zijn vrouw en zelfs zijn moeder.

Interessant aan deze roman zijn de parallelle werelden die zich langzaam aftekenen. Die van Conrad en zijn zoon Jonker. De houding van de Nederlandse regering ten tijde van de politionele acties en de gevolgen daarvan die tot op de dag van vandaag voortduren. Uiteindelijk is waarheidsvinding het belangrijkste thema van dit intrigerende boek. Wanneer je wreedheden gaat vertalen met woorden als uitzonderingen en incidenten, verdwijnen de feiten snel uit het zicht. Waarom mensen feiten niet onder ogen kunnen of willen zien, maakt Launspach pijnlijk duidelijk. Wanneer politici, die zeggen dat ze de waarheid zo belangrijk vinden, de feiten onder tafel vegen, worden veteranen haast gedwongen om die boven tafel te krijgen.

Jonker kan de waarheid moeilijk onder ogen zien. Of het nu het gedrag van zijn vader betreft of dat van hem zelf. Liefst roeit hij het noodlot tegemoet, zonder ook maar een moment om te kijken. Het is lemmingengedrag, of kun je het beter egocentrisch en dom noemen? Jonker is een roman die je aan het denken zet. Eenieder zal, tot zijn eigen schaamte, iets van zichzelf in Jonker herkennen. Tegelijkertijd heeft Els Launspach haar scherpe kanttekeningen bij onze politiek van die dagen geplaatst. Juist die twee kanten van het boek maken het tot een gelaagde roman die, wederom, tot discussies moet leiden. Als in de dagen van Camus en Sartre gaat het om de vraag waar je staat, als het erop aankomt.

‘Die is verminkt teruggevonden.’ Het leek of oom Joost het expres hard liet aankomen. ‘Dood en afschuwelijk verminkt.’ Tegen het licht inkijkend, hield hij zijn hand boven zijn ogen. ‘Je begrijpt wat er toen is gebeurd. Alle jongens sloten zich aaneen, het hele bivak. Om de daders op te sporen die zich onder de bevolking verborgen hielden. Ik moest wachtlopen in ons kamp en niemand heeft mij verteld hoe het precies is gegaan. Ik weet alleen dat mensen in een onveilige omgeving een groep vormen en proberen bevestiging te vinden: bevestiging van hun eigen gelijk. En dan ga je soms een grens over.’