Khazarenbloed van Rogi Wieg
Recensie door Ezra de Haan (24 oktober 2012)

Soms gaan verzen langer mee dan nieuwe gymschoenen

Ondanks zijn grote succes als dichter en een boekenplank vol publicaties vecht Rogi Wieg (1962) al jarenlang tegen zijn depressies. Misschien heeft het een met het ander te maken. Iemand die zo diep durft te gaan in wat hij schrijft, iemand die pijnlijk eerlijk over zichzelf durft te zijn, zoals in Kameraad Scheermes, zet zichzelf naakt in de wereld en wacht af wat het teweeg gaat brengen. Nu de dichter ouder is geworden dan hij zelf eigenlijk durfde te hopen, komt hij eindelijk met de gedichtenbundel Khazarenbloed. Voor de kenner een titel die al lang in de pen zat. En het werd tijd dat Wieg weer eens wat schreef. Sinds 2007 was het stil geworden. Er verschenen wat gedichten en tekeningen in De Gids en het literair tijdschrift Nynade, maar daar bleef het dan bij. Voor een dichter met een gestadige productie zoals Rogi Wieg altijd was, heeft het dus lang geduurd.

De vijf jaar van radiostilte, waarin Rogi Wieg De Arbeiderspers verliet en een nieuwe uitgeverij vond in In de Knipscheer, levert een bundel vol prachtige regels en verzen op. Eigenlijk zoals we van hem gewend zijn. Neem de titel van het eerste gedicht van de bundel: ‘Mijn huis is eenvoud’. Met vier woorden kenschetst hij zijn stijl. Eenvoud, schijnbare eenvoud. Want achter ieder woord, elke regel schuilt een wereld. Daar is Rogi Wieg zich zeer van bewust. Hij schrijft:

Mijn huis is eenvoud

Mijn huis is mijn hoofd,
mijn geslacht en mijn hart.

Nee, mijn huis is een cel
en de jood zonder tafel
of brood, zonder drank, of bed.
Zonder bloed dat ontroert.

Nee, ik lieg. Ik heb zoveel gelogen.
En dit is de waarheid. Tot slot!
Mijn huis is bij jou, in je hoofd!

Ondanks alles bij jou. De laatste
kamer in de natuur, tussen je gelegen
bloemen, je gesloten ogen. Ik zou willen,
de laatste cel in mijn grond.


In dit gedicht probeert de dichter te definiëren wie en wat hij is. Steeds weer moet hij opnieuw beginnen. Je ziet hoe hij worstelt, zichzelf op de vingers tikt, zichzelf beticht van leugens en dan op de tafel slaat. De uitroeptekens spatten van het vel. Waar hij eerst alleen en zichzelf was, bestaat hij nu juist in het hoofd van de ander. Ondanks alles… Daar hoopt hij de rust te vinden waaraan het hem ontbreekt. Het is een mooi, maar vooral knap gedicht dat lekker leest door klank- en kreupelrijm. Ook de herhaling van het woord zonder werkt goed. Het geeft het effect van een mantra.

‘Zie je’, het tweede gedicht in de bundel is opgehangen aan een gedicht van Herman Gorter. Het opent zo:

‘Zie je, ik hou van je,’
zoiets schreef Gorter.
Maar mijn geheugen is
wat verwoest, als een afgebrand
stuk akker. Rokend nog, dat wel,


De laatste drie regels zijn van een bedwelmende schoonheid, Gorter waardig. Want wat doet Rogi hier? Hij citeert Gorter uit het hoofd, maar twijfelt, daar wijst het woord ‘zoiets’ op. Dan komt de verklaring voor die twijfel: zijn geheugen is wat verwoest. Wat verwoest, dus zeg maar een beetje. Vervolgens komt de metafoor. Hij vergelijkt zijn wat verwoeste geheugen met een afgebrand stuk akker. Je denkt meteen aan dood en vernietiging. Maar de toevoeging van ‘Rokend nog, dat wel’ maakt het helemaal perfect. De akker mag dan verwoest en afgebrand zijn, het rookt er nog. En iedereen weet, waar rook is, is vuur. Het vuur van de passie. De passie waaruit Wieg als een feniks zal herrijzen. ‘Zie je’ is een schitterend gedicht, dat wist de dichter ook toen hij het schreef. Niet voor niets opent de laatste strofe met de regel: ‘Soms gaan verzen langer mee dan nieuwe gymschoenen.’

Vrijwel ieder gedicht in deze bundel levert een regel of een strofe op die je bijblijft, die je meteen gaat herlezen, langzaam herlezen. Ze moeten herkauwd worden of langzaam op de tong smelten. Zo staat er in het gedicht ‘Papavervelden’:

Het vers is kort en vol zintuigen,
maar onbruikbaar als een kamertje
om een wereldrijk mee op te
bouwen.


‘Giant Steps’ is een knap gedicht. Het doet aan een horloge denken. Haal je er een radertje uit, in dit geval een woord of regel, dan zal het niet werken. Als geheel is het compleet logisch, ook al behandelt het drie verschillende onderwerpen. Een roman in 17 dichtregels zou je het ook kunnen noemen. Beter nog een gedicht dat vakmanschap laat zien.
Giant Steps

‘Voor geluk ben jij niet geboren,’
zei de oude man tegen mij.
Hij was het ook niet, maar speelde
goed. Dat kon hij al duizenden jaren.
Mijn verzen schrijf ik, als ik al
iets opschrijf. Hoe kan iemand
van zoveel materie niets maken?
Luchtgoochelaar met regenachtige
wolkjes lucht, strakke lucht, blauwe lucht.
Nee, niets is iets bij mij, niet niets, en
iets is aan het einde toch iets. Weinig.
Ik bezit twee cd’s van Buddy Rich
en ze zijn haast hetzelfde.
Opname: oktober 19, 1977, New York City.
Maar twee nummers verschillen.
Ik ben voor weinig verschil geboren,
laat ik het daar maar op houden.


Heerlijk te zien dat een dichter in staat blijkt twee vrijwel identieke cd’s te gebruiken als metafoor voor zichzelf. Ook omdat het zo eerlijk is. Net zoals in de regels over iets en niets. Zo dicht ligt het vaak naast elkaar. Wieg weet hoe nauw het luistert. Met een oeuvre als dat van hem word je gedwongen tot een herhaling van zetten. Maar die kleine nuance, juist die maakt het verschil. Ook in deze bundel ontkomt de dichter er niet aan hetzelfde te zeggen, zij het met andere woorden. In het gedicht ‘Als ik speel’ legt hij het op deze manier uit:

Als ik speel (fragment)

Een dode John R. Cash in een pianobar.
Als ik speel doe ik dat alleen.
Nooit twee keer hetzelfde nummer
hetzelfde doen. Alleen het nummer 666


De opmerking over niets en iets maakt mij ook attent op een ander aspect van deze bundel, die van de natuurkunde. Natuurkunde kom je niet al te vaak in de literatuur tegen. Woorden als massa-energie, ruimtetijd en fysica komen in deze dichtbundel echter wel degelijk voor. Wieg zoekt ze op en past ze toe. Maakt een gedicht over weggaan, sterven zo u wilt, nog dieper door natuurkunde toe te passen. Als een leraar legt hij op uiterst heldere wijze uit, wat amper te bevatten valt.

De dag dat ik wegga (fragment)

Er zal geen maan ondergaan
of opkomen
de dag dat ik wegga.
Of het moet net gebeuren
Bij opkomst of ondergang.

Rechtuit gaande maakt de maan
steeds een valbeweging naar
de aarde toe, daarom draait de maan
om de aardbol.

De maan beweegt door een
gekromde ruimte, zo moet je het
stellen.


Mooie woorden. Maar Wieg kan het ook met minder woorden af. Soms is het minimale bij hem ruim voldoende. Want waarom zou je veel woorden gebruiken als je dat niet nodig hebt? In het gedicht ‘Maken’ verbeeldt hij dit met de volgende woorden:

Maken (fragment)

Ik ben een khazar,
eet mijn eigen verzen
als het moet. Zo ook maak
ik gedichten aan en maak
ik nieuw papier.


Rogi Wieg wordt in dit gedicht de dichter die zijn eigen kinderen opeet om tot volgelingen te komen. Hij maakt ze aan. Dat doet weer aan een kachel, aan vuur denken. Een beeld dat we in een ander gedicht ook al tegenkwamen. Maar dat geeft niet. Juist die kruisbestuiving van beelden en ideeën maakt langzaam maar zeker duidelijk wat Rogi Wieg bezighoudt en inspireert. Door zijn toon en talent ontstaan er gedichten die bij verschijnen al klassiek lijken. Daarnaast zijn er gedichten die zich minder makkelijk geven. Die combinatie geeft de bundel balans. Khazarenbloed laat zien dat Rogi Wieg ondanks alle malheur ‘Alive and kicking’ is. Laat deze bundel het begin van een nieuwe stortvloed van poëzie zijn. Want van Rogi Wieg is er geen tweede in Nederland.