Korenblauw van Cor Gout
Recensie door Ezra de Haan (22 januari 2015)

Albino spreeuw

Cor Gout is een alleskunner en hij is bedrijvig bovendien. Wie hem ooit heeft zien optreden tijdens de presentatie van nieuw nummer van het tijdschrift Extaze of een van de talrijke publicaties die hij op zijn naam heeft staan, zal steevast onder de indruk zijn geweest. Erudiet, muzikaal, Haags en regelmatig nostalgisch, dat zijn de sleutelwoorden die bij hem passen. Gout is zo’n duizendkunstenaar die een lezer of luisteraar alle besef van de tijd, zeker wat betreft ons roerig tijdsgewricht, doet vergeten. Wanneer het om boeken gaat, kiest hij, wederom, voor een Cor Gout-vorm. Noirette (2003) was een verhalenbundel met zeer eigenzinnige illustraties door Sebastien Mordighem, De stilte die volgt op het woord (2008) bevatte, naast verhalen van Gout, vele schitterende tekeningen van Nina Roos en de CD Gergelijzer en dan was er nog, naast vele andere publicaties van Trespassers W, de dichtbundel De muziek van het huis (2012). Herinneringen, associaties en speelsheid troef.

Korenblauw is de nieuwste publicatie van Cor Gout. Weer heeft de auteur gebruik gemaakt van de kunstzinnige talenten van een ander om zijn verhalen te verluchten. Deze keer betreft het de tekeningen van Hélène Penninga die uiterst origineel zijn en toch, op een bijzondere wijze, aansluiten bij de verhalen van Gout.

De kloeke verhalenbundel begint met het verhaal ‘Albino spreeuw’ met de zin:

‘Een van de terugkerende dromen waarin ik leef en wil leven, ondanks de verwarring waar ik door bevangen raak, begint op het pad rond mijn ouderlijk huis en gaat dan verder in het huis zelf.’

Kenners van het werk van Cor Gout denken meteen aan zijn in 2012 gepubliceerde dichtbundel, maar ook aan vorig proza van de auteur. Gout noemt het zijn ouderlijk huis, en vaak gaat zijn werk daar ook over, maar zijn herinneringen reiken verder. De tuin rond zijn huis zou je Den Haag kunnen noemen. En in verhalen die hij ooit hoorde, gedurende eigen ervaringen en dromen die hij beleefde, ontstaat een wereld waarin je je weer even kind voelt. Alles is nieuw, kwetsbaar, magisch. Het huis, de stad vormt een schatkamer waaruit je een leven lang putten kan. Als je goed kijken kunt. De titel van ‘Albino spreeuw’ is kenmerkend. Gout is een albino spreeuw of, zoals hij zelf schrijft: ‘het merkwaardigste dier dat ik mij herinner.’ Gout is de uitzondering die de regel bevestigt, iemand die altijd zijn eigen koers volgt en daardoor inspireert.

Met een goede neus voor plekken loopt de auteur door zijn omgeving. Vanzelf komt dan de oorlog voorbij, wanneer het over het Van Stolpark en de Scheveningse Bosjes gaat. Mooi is het hoe hij een open plek in het bos (een tra voor kruiswoordpuzzelaars) ‘Lichtung’ noemt en wijst op de betekenis ‘heilige plaats’. Het zorgt ervoor dat het verhaal, dat verder over de tijd dat het nog Sperrgebiet was, als het ware opgetild wordt. Het gaat hier om meer dan de moderne geschiedenis van een plek. Na een rondgang door jeugdmomenten waarin verlaten gebouwen, bunkers en een knijpkat een grote rol spelen, komt Gout terug in het heden. ‘Het ‘Duitse’ is nooit helemaal uit ons park verdwenen. Wel dienden zich gevallen aan waarbij deze sfeer tijdelijk naar de achtergrond werd gedrongen.’ Op zo’n moment glijdt even een ander stukje geschiedenis langs, dat van de Indo’s en hoe men naar hen keek, in de dagen dat Gout klein was. En nog even later gaat het over de Roomse Voetbalvereniging Quick Steps. Juist die omtrekkende bewegingen, die voortdurende verrassingen, zonder dat het ook maar een moment geforceerd overkomt, waardeer ik zeer. Gout leidt je door zijn verleden, toont je wat je bijna vergeten was. Of niet wist.

Op aangename wijze zijn de verhalen ‘verbonden’ door thema’s die ze gemeen hebben. ‘Duinwolf’ gaat wederom over een verwaarloosde villa, het is het clubhuis van de Duinwolven, een welpenhorde van een padvindersgroep. ‘Kwijt’ brengt ons weer terug bij voetbal, het is een verhaal over het handtekeningenboekje van Gout met daarin Eddie Pieters Graafland, keeper van Feyenoord en het Nederlands elftal. En het gaat natuurlijk over meer dan dat. Zoals in alle verhalen in deze bundel. Mooi is de cyclus rond oom Jan, de oudste broer van zijn vader. Het opent met ‘Met oom Jan naar de voetbalmatch’, een titel die aan een ouderwetsch leesboek voor de jeugd doet denken. In ‘Oom Jan terug op aarde’ brengt hij, net als K.Schippers in Voor jou, iemand die overleden is tot leven. Met de magie van het woord en een vleugje fantasie.

‘Zelfportret in collages’ is het verhaal in Korenblauw dat mij het meest aanspreekt. Ook dit verhaal had de titel voor het boek kunnen leveren. Waar Cor Gout in deze verhalenbundel verhalen, anekdotes en herinneringen aaneen rijgt, kiest een vader van een vriend uit mappen, ordners en dozen vol uitgeknipte voorstellingen datgene wat in combinatie kan leiden tot een wereld die hem bevalt.

In het laatste verhaal van Korenblauw, ‘Verjaardagsbrief aan Rob H. ‘, mijmert Cor Gout over dat wat hij bewerkstelligt. Extaze, het literair tijdschrift dat voor een dagtaak zorgt, voorkomt de voltooiing van zijn roman over Bik, ‘die man van de hoedenwinkel in de Geest’. Het is het enige moment van teleurstelling in deze bundel. De gedachte over een, vast en zeker, prachtig boek dat wellicht een ‘unvollendete’ wordt… Laat Gout snel een volgende brief aan Rob schrijven. Een waarin hij vordert, een waarin het laatste hoofdstuk van Bik in zicht komt… Ik zal de eerste zijn die het gaat lezen.