Kritisch en verhalend proza van Jo Otten
Recensie door Ezra de Haan (21 mei 2013)
Angst, vloek van mijn leven

In 2008 verscheen de vierde druk van Bed en wereld, een novelle van Jo Otten (1901-1940). Het boek was voorzien van een inleiding door Rob Groenewegen. Daarin schreef hij over een schrijver die ondanks alle lofuitingen toch in de anonimiteit was gebleven. En ook over zijn bizarre dood.

‘Op 16 mei 1940, twee dagen na de Nederlandse capitulatie, ontdekte de politie onder het puin van een woning in het centrum van Den Haag het stoffelijk overschot van Jo Otten, 39 jaar oud. De “stenen dekens” die hem zo bruusk hadden toegedekt waren het noodlottige gevolg geweest van een bominslag, die zes dagen eerder had plaatsgevonden.’

Van dezelfde Rob Groenewegen verschijnt in 2011 Te leven op duizend plaatsen, de biografie van Jo Otten. Een boek van 800 pagina’s dat het leven van de Rotterdammer tot in ieder detail beschrijft. Nelleke Noordervliet karakteriseert Otten als een man van zijn tijd: dynamisch en controversieel. Ze noemt hem een eenzaat, een rusteloze reiziger en een gekweld mens. Maar ook verlegen en stoutmoedig, ambitieus en arrogant. Als je de foto’s op de omslag van de biografie en Kritisch en verhalend proza bekijkt, herken je die kenmerken. Otten kijkt angstig op de ene foto, arrogant op de andere. Zijn mondhoeken hangen alsof hij iets of iemand afkeurt. Zijn lippen zijn echter vol en sensueel.

‘Volgens Jo Otten was een alledaagse mens het saaiste wat zich liet denken. Mensen wekten zijn interesse pas wanneer ze zich wisten te ontworstelen aan het monotone bestaan en de verstarrende middelmatigheid. Ze moesten over de moed beschikken om zich te verwerkelijken en in te staan voor hun andersoortige gedachten en overtuigingen. Van reëel belang was in zijn optiek daarom alleen “de volkomen mobiele mensch, de mensch zonder gewoonten”, die weloverwogen en los van conventie zijn intellectuele en morele positie in de wereld durfde te bepalen.’

Zo begint de biografie van Rob Groenewegen. Beter kun je Jo Otten en zijn kijk op de wereld en dus ook op de literatuur van die dagen niet beschrijven. Otten wilde wat anders en zocht naar erkenning in de periode die later als het interbellum de geschiedenis is ingegaan. Het waren de dagen van Forum en vooral van Menno ter Braak. Waar die zich met de discussie ‘vorm of vent’ bezig hield, waagde Otten zich aan het experiment. In zijn verhalen, kritieken en essays toont hij een pessimistisch wereldbeeld, zij het in een modernistisch jasje. De ratio van Ter Braak verving hij door gevoel; hij ging uit van zijn intuïtie en gebruikte dromen en verbeelding als inspiratiebron.

Ondanks de kwalificatie stoutmoedig was Jo Otten ook een angstig mens. Angst doordesemt menig verhaal in zijn verzameld werk. Dat is het meest opvallend, al is het alleen al door de titel, in het verhaal ‘Angst, dierbare vijandin…’ Je ontkomt niet aan de gedachte dat het wel autobiografisch moet zijn. Ieder woord heeft de intensiteit die uit eigen ervaring voortkomt.

(Fragment)

‘Angst, die loert achter alle deuren, om iedere hoek van de straat, binnen de muren van de kamer, angst die plotseling voor mij staat, mij naar de keel grijpt, angst, die wurgt, angst, die doodt. Steeds, op ieder ogenblik van de dag ontmoet ik jou, vijandin van mijn bestaan, ondermijnster van mijn leven, ik ontmoet je en doe verwonderd, ik houd mij of de ontmoeting onverwacht was; het is niet zo.’


Slechts twee zinnen en kijk eens hoe groot de impact is. Hier spreekt iemand die als de dood is voor het leven. In het geval van Otten maakte die levensangst energie los. Hij verzette zich en schreef het van zich af. Victor E. van Vriesland begreep Otten als geen ander. Hij schreef over hem: ‘De angst is voor deze auteur een ongeneeslijke, wurgende ziekte en tegelijk een soort huisdier waar hij niet meer buiten kan.’

Soms komt het proza van Otten over als hedendaags. Wat toen modernistisch werd genoemd, is waarschijnlijk blijvend tijdloos. Wie jong is wil leven en de wereld zal dat weten. Dat was toen en zo is het nog steeds. Neem wat willekeurige zinnen in het verhaal ‘Laatste vreugde’:

‘Ja, vanavond moeten alle flessen en alle ruiten stuk. Alle deuren van de wereld wil ik opentrappen. Hier is het te benauwd: lucht, lucht, geef mij lucht. Alle glazen moeten rinkelen en alle bellen moeten barsten. … Geef mij nóg wat wijn, vandaag ben ik bezeten, vandaag ben ik helemaal gek. … Zoveel jaren luisteren naar jazzmuziek maakt het lichaam waanzinnig van onrust. Nu draai ik als een onbestuurbare tol over alle vloeren van de wereld.’

Dezelfde tijdloosheid zit in het verhaal ‘Wijzerplaat’ dat enerzijds aan Charlie Chaplins Modern Times doet denken maar dat ook de huidige ratrace tegen de tijd beschrijft.

‘Maar kijk niet, kijk niet naar de secondewijzer aan je pols, want gek word je dan, stapelgek: rennen doet de tijd, achter zichzelf aan rent de kleine wijzer. Houd stil toch de tijd, ik kan het niet langer verdragen, ik kan geen klokken meer zien, geen wijzers, niets meer, niets.’

Beide voorbeelden van het proza van Jo Otten laten de vaart zien waarmee hij schreef. De toon is jachtig, haast hysterisch. Hij sleept je mee in zijn eigen nachtmerrie en leert je hoe je het leven ook kunt zien. Iemand die overwerkt is, zal veel in de verhalen van Otten herkennen. Het zijn vooral de onmacht en het gevecht daartegen die zo fascinerend blijven in zijn verhalen. Otten schrijft zelf in het verhaal ‘Onmacht’: ‘Onmacht die mij naar wanhoop en rebellie drijft, onmacht die ik verafschuw, onmacht die ik bespot, maar die mij vasthoudt met scherpe, vlijmende klauwen, die tot diep in mijn vlees dringen.’

Het kritisch proza van Jo Otten laat een andere kant van hem zien, die van de filosoof. In Kritisch en verhalend proza komen we vele essays tegen die de moeite waard zijn. Ze geven inzicht in het denken van Otten maar ook in de tijdgeest. Waar het in zijn prozastukken emotioneel soms alle kanten op gaat, blijft de auteur in zijn essays beschouwelijk en nuchter. Al ontkom je er niet aan om ook deze stukken als autobiografisch te interpreteren. Een mooi voorbeeld daarvan staat in ‘Verbeelding en domheid’:

‘Wie in het leven van alledag geen bevrediging vindt, bouwt voor zichzelf nieuwe werkelijkheden en werelden. De mens die over fantasie beschikt, is rijk, omdat hij zich kan uitleven in uitgestrekte, ondoorgrondelijke domeinen. Zo is de fantasie de noodzakelijke compensatie van wat wij hier beneden ontberen, het hemelse complement der aardse werkelijkheid.’

Aan fantasie en ideeën heeft het Otten nooit ontbroken, wel aan tijd. Hij is steevast zijn eigen weg gegaan. Helaas kwam abrupt een eind aan zijn leven. Het zal altijd interessant blijven te bedenken wat er van hem geworden zou zijn als hij was blijven leven. Zijn novelle Bed en wereld bleek een boek dat steeds herdrukt moest worden. Elke generatie leest het en is verrast door de originaliteit ervan. Jo Otten was een eenling en dat wist hij. Het herdrukken van zijn proza en vertalingen ontrukt zijn werk aan de vergetelheid, en terecht. Jo Otten was en is een unieke stem in de Nederlandse literatuur. En een eerlijke schrijver ook. Dat blijkt wel uit het essay ‘Misverstanden’ waarin hij over zichzelf en de dood schreef alsof hij wist wat er boven zijn hoofd hing.

‘Wij denken door ervaring iets te hebben geleerd, wij verbeelden ons iets te weten over het leven, maar het leven dat wij denken te kennen is misschien niets anders dan een afspiegeling van het genoemde, grote misverstand, dat slechts door de dood wordt beëindigd.’