Meer mensen dan reddingsvesten van Willem Thies
Recensie door Guus Bauer (29 september 2015)
Meer mensen dan reddingsvesten, de nieuwe dichtbundel van laureaat van de C. Buddingh-prijs Willem Thies (1973), heeft een titel die beeldend is en tegelijk niets aan de verbeelding overlaat. Ja, er zijn meer mensen die buiten de boot vallen, en reddingsvesten zijn eerder schaars dan ruim voorhanden. (Overdrachtelijk bedoeld, voor de ideeënboekjeslezer). Deze bundel is veelkoppig, heeft iets van een verzamelaar, maar dat deert niet. Het is duidelijk dat, excuus voor het opgedrongen beeld, de taal voor Thies een reddingsvest is. Maar niet alleen voor hem, ook, nee, voornamelijk voor de lezer van deze poëzie.

Het meandert van persoonlijke, klein gehouden beelden tot heel intuïtief werk waarbij Thies zich als het ware droomredt. De openingssectie, getiteld ‘Quitte’, heeft een samengebalde intensiteit. Heldere verdieping zogezegd, die wordt benoemd en later wordt geïllustreerd, zoals in het gedicht ‘Indringer’.

Het mag zijn dat je lichaam mij bekend is, / het is me niet langer welgezind.
[ … ]
Nu slaapt een boek of telefoon tussen ons in, wringt / zich een indringer in ons midden.


Het langzaam ingeslopen zwijgen in een verhouding die afstandelijker wordt. Op vakantie in een supermarkt verstaat niemand de woorden, maar de koopwaar spreekt voor zich. Ja, een brood blijft een brood, ook in den vreemde. Ook elders is geen reddingsboei te vinden. Escapisme is geen oplossing. Vol ongemak wordt de koopwaar bestudeerd. Er is meer aandacht voor de olijfolie, voor de vissen en voor de opschriften op de blikken dan voor elkaar. Zonder iets te zeggen wordt het karretje geladen.

Als we allebei verliezen
spelen we quitte.


Dat suggereert iets gezamenlijks, een gedeeld lot, maar verliest de een niet altijd meer dan de ander? De dichter lijkt aan het kortste eind te trekken, lijdt het meest aan de veranderde situatie. Wanneer hij door het huis loopt, wordt dat uitgelegd als sluipen. Er kan gewoonweg niets goed worden gedaan. De vrouw ligt in het tweepersoonsbed als een Kafkaësk insect gewikkeld in het dekbed, bang bevrucht te raken door degene die haar vreemd is geworden. Degene die uitsluitend nog gedoogd wordt. Deze sectie is het hoogtepunt van deze bundel. Thies wikt en weegt zijn taal naar klaarheid, het is krachtig zonder trucjes, zonder winstbejag en daardoor, nu ja, extra winstgevend.

De cyclus ‘De eindstreep, de zee’ blijkt geschreven te zijn ter herinnering aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De oorlog die al snel verzandde in de loopgraven. Een fremdkörper zou je denken, maar het vreemde, en tegelijk ook het vergenoegd stemmende, is dat het niet stoort. Deze bundel is, zoals eerder vermeld, nu eenmaal veelkoppig. De aan de beide Gerrits, Komrij en Kouwenaar, opgedragen en naadloos passende gedichten, respectievelijk ‘De zekerheid van de zee’ en ‘Zout’, worden door de dichter zelf ingeleid met een vers over de dood. De doden die zonder waarschuwing komen binnenvallen. Daarna volgt er een milde instructie voor de overlevenden en een klaagzang.

We ontbloten onze rouw, vergelijken wie de grootste.

De dood doet het altijd goed. Vooral als ze op deze wijze wordt ingepakt. Deze vijf gedichten vormen toch opnieuw een hoogtepunt in de bundel. Ze zijn ook de opmaat naar de pluriforme ‘Reddingsvesten’ die Thies aanbiedt, waarin hij droomzegt. Meer mensen dan reddingsvesten is een hechte bundeling, ondanks de veelzijdigheid.