Moederziel van Krijn Peter Hesselink
Recensie door Guus Bauer (6 oktober 2015)
Krijn Peter Hesselink (1976) is bij uitstek een dichter, een performer ook, maar met Moederziel heeft hij zich nu op het prozapodium gewaagd. Een kernachtige titel, zoals nu gewenst lijkt, die direct associeert met ‘alleen’. En dat is de hoofdpersoon Jonathan op alle fronten. Als kind van een zwijgzame studiekamerbewoner en een strenge, ietwat psychotische vrouw, nu ja, ietwat, maar ook als volwassene die niet goed raad weet met de verhouding met zijn vriendin. De roman opent met een zoektocht van de volwassen Jonathan naar een apotheek in een vakantiedorp ergens in Drenthe. Hij moet en zal een morning-afterpil zien te bemachtigen.

Een angst voor het op de wereld zetten van een kind die geworteld is in zijn jeugd. Hij is verlaten door zijn moeder en zijn vader heeft nooit verteld waarom en hoe. De jeugdherinneringen worden aangewend om de handelingen van de volwassene te duiden, de enige manier waarop de overbekende nostalgie (goed) te pruimen is. De schrijver lijkt zich al in de eerste regels te distantiëren van zijn eigen herinneringen, ze althans in dienst te stellen van Jonathan.

‘In de weerspiegeling van de ruit zie ik een verkleumde man alleen op straat staan. Zijn ontblote bovenlijf loopt vooruit op een zonnige zomerdag. Ik voel geen behoefte mezelf in hem te herkennen.’

Jonathan die zichzelf niet echt wil kennen, die kampt met een identiteitscrisis, de schrijver die nog eens extra duidelijk maakt dat het hier een personage betreft. In het begin zijn de zinnen ultrakort. Dat staccato neemt de emotionele waarde wel een beetje weg. De tekst krijgt daardoor iets documentairs, maakt het onrustig. (Hetgeen dan weer wel goed bij de gemoedstoestand van Jonathan past.)

Achter mij rijden auto’s voorbij. Af en toe een fietser. Ik kijk uit op een kleine vijver. Er staat een hek omheen. Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat mensen gaan pootjebaden. Verstandige mensen, die Drenten. Bij het hek staat een vrouw. Nu zie ik haar pas. [ … ] Ze draagt een broek. Platte schoenen. Op schoot een handtasje. Haar rechterhand omklemt een wandelstok. Met haar linkerhand strijkt ze traag en afwezig over haar broek. Ze is broodkruimels weg aan het vegen.

Denkbeeldige kruimels. Net als Jonathans moeder. Altijd afwezig. Deze oude vrouw lijdt waarschijnlijk aan dementie. Ze lijkt op zijn moeder, neen, het ís zijn moeder. Een vloeiende overgang naar een paar scènes in de jeugd. Een moeder die het de jongen lastig maakt, een vader die zich in zwijgen hult. Er zit bijna niets anders op voor de knul dan om zich in dromen terug te trekken. Om met het zand uit de zandbak weg te vliegen naar onbekende streken. De fraai verwoorde geboorte van de dichter.

De zinnen krijgen vanaf hoofdstuk twee meer body. Hesselink maakt precies genoeg gebruik van herhalingen van belangwekkende uitspraken uit de jeugd, met licht verschuivende betekenissen. De wanhoop van het kind – ‘Ik heb toch niets verkeerd gedaan/gezegd?’ – wordt op de oude vrouw geprojecteerd. Het onbegrip van het kind voor de beslissingen van ouders, het niet begrijpen van de getormenteerde moederziel. Er zijn decennia verstreken. Moeder en zoon zitten onwennig aan een tafeltje in een café. Er vallen ongemakkelijke stiltes.

‘Ik heb toch niets verkeerds gezegd?’ Mijn moeder houdt haar hoofd een beetje schuin en kijkt me gespannen aan. ‘Hoezo?’ vraag ik. Ik probeer het nonchalant te laten klinken. ‘Je keek zo…’ Ze maakt haar zin niet af.

Op dit soort momenten opent de roman zich helemaal voor de lezer. De cadans is hier aangenaam. Het beeld dat Hesselink van de vrouw schetst, de twijfel, het schrikachtige, het onbegrip van de afgedwaalde mens is sterk.

Jonathan vertelt aan zijn moeder over de eerste ontmoeting met zijn vriendin Mariëlle. Hoe ze op de universiteit over een tas struikelde en een boek met daarop kopjes koffie uit haar handen liet donderen. En dat ze daarna samen op de grond het restje in een bekertje deelden. Moeder vindt het romantisch. Vader, die de vakantie doorbrengt met zoon en vriendin in zijn Drentse huisje, heeft er alleen maar over te zeggen dat je boeken niet als dienblad hoort te gebruiken.

Moeder en zoon zijn milder geworden. Vader lijkt te volharden in zijn zwijgen. Mensen die hun zinnen niet afmaken, hebben niet goed nagedacht. Dat was en is zijn motto. Het is de vraag wie eigenlijk meer blaam treft voor de eenzaamheid van Jonathan, de psychotische moeder of de vader die zich overal buiten hield én houdt. Hesselink heeft de jeugdherinneringen van Jonathan adequaat ingebed. Je proeft de vertwijfeling van Jonathan wanneer er een einde aan de vanzelfsprekendheid van zijn wereld komt. Wederom fraai verbeeld, dichterlijk zou je haast zeggen, wanneer het gezichtsveld van de jongen breder wordt. Hij komt bij de buren op bezoek, het andere gedeelte van de twee-onder-een-kap. Alles is vertrouwd, maar toch gespiegeld, op de vloer ligt geen tapijt maar zeil.

Jonathan heeft als kind voor zichzelf bedacht dat zijn moeder naar Amerika is geëmigreerd. Maar de waarheid is anders. Langzaam wordt duidelijk wat er zich precies heeft afgespeeld in het ouderlijk huis. Hesselink levert de lezer aan het einde nog een mooie streek. Een geslaagde debuutroman.