Noodweer van Marijke Schermer
Recensie door Guus Bauer (29 december 2016)
De mens als natuurverschijnsel

De Colombiaanse Nobelprijswinnaar 1982 Gabriel García Márquez zei ooit tegen een interviewer die aandrong: ‘Ik heb een openbaar leven, een privéleven en een geheim leven.’

Iemand die beweert geen geheimen te hebben, liegt waarschijnlijk over veel meer. Het grote verzwijgen en de bijna zonder uitzondering kwalijke gevolgen die de ontkenning, het zelfbedrog, hebben, is de drijvende kracht achter de roman Noodweer van Marijke Schermer (1975).

Emilia is veertig, moeder van twee kleine kinderen en op het eerste gezicht gelukkig getrouwd met Bruch. Ze hebben een veilig heenkomen gezocht in de provincie, wonen afgelegen in een huis dat aan een verjongingskuur toe is. Enig nadeel, dat de twee met een zekere zelfverzekerdheid wegwuiven, is dat hun ‘eiland’ buitendijks ligt. Het wil in de provincie nog weleens spoken, maar ja, hun relatie is dermate solide, die kan tegen een stootje. De liefde die zelfs natuurverschijnselen kan trotseren.

Emilia torst een geheim met zich mee, een geheim dat overigens aan de lezer al vrij snel duidelijk wordt gemaakt. Ze is ooit in haar studentenhuis overvallen, vreselijk mishandeld en verkracht. Precies nadat ze voor het eerst een intense avond met Bruch heeft gehad. Nadien sloot ze zich op, beantwoordde de verontruste telefoontjes van haar prille liefde niet. Playing hard to get, dacht hij aanvankelijk nog. Ze zwijgt erover, maakt zichzelf later wijs dat ze het goed heeft gedaan, dat ze eerst moest genezen om heel te kunnen zijn bij Bruch. Zoals altijd, wanneer de tijd verstrijkt, wordt het vertellen lastiger, zo niet onmogelijk, kán het bijna alleen maar tot extra wonden leiden.

Schermer zit, voor een jonge Nederlandse schrijver, ongekend dicht op de huid van haar personages. Ze schrijft veel voor toneel en dat is in de scherpe dialogen duidelijk te merken. Geen onnodige toevoegingen, zoals ‘zegt zij’ of ‘sprak hij’. Het zorgt er ergens voor dat je gedwongen wordt om de personages voor je op het toneel te zien.

Alle plannen om het huis te verbouwen laten de twee aanvankelijk varen. Het is eigenlijk precies goed. Bruch heeft een aanstelling gekregen in het plaatselijke ziekenhuis – hij is een medisch specialist, iets dat later ook verhaaltechnisch goed van pas komt – maar die gaat pas in het najaar in en Emilia zelf heeft verlof van het onderzoeksbureau waarvan ze mede-eigenaar is. Vlak na de geboorte van hun tweede kind, ligt Emilia met de baby op haar buik in de serre. Ze voelt iets dat op geluk lijkt.

Hij sliep veel en dronk zonder moeite. Tijdens de zwangerschap had ze weerzin gevoeld tegen de uitstulpende lichamelijkheid, vooral tegen de openbaarheid van die transformatie. Maar ze had geen gedachten van dat kaliber meer over zichzelf, ze was er en ze was er niet.

‘De openbaarheid van die transformatie’, die publieke ‘schaamte’ kun je je ook als man voorstellen door de invoelbare wijze waarop Schermer de problematiek van het huwelijk, van de mens in transitie, van de vrouw op de cruciale terugkijkleeftijd schetst.

Schermer laat op meesterlijke wijze scheurtjes toe in de idylle. De wanhoop krijgt steeds meer vorm. In het begin kan Emilia die nog naar de achtergrond schuiven. Er worden dozen uitgepakt, de nieuwe flora wordt ontdekt, ze lezen, liggen in het gras. Noodweer – niet alleen in de zin van storm, storm van het leven, maar ook als noodweerexces, een schulduitsluitingsgrond – is vormtechnisch van grote klasse. Emilia’s oudere broer Jacob, waarmee zusjelief weleens recreatief de heroïnedraak heeft gevangen, hetgeen gezorgd heeft voor een voor Bruch nauwelijks te bevatten band, vat zijn zorgen samen:

Hier wonen rekt de statistische veiligheid van het gezin op tot geluk dat wankeler en dús betekenisvoller is. Het kan ieder moment afgelopen zijn. Niet te verzekeren ook, dus als het misgaat, wat het altijd gaat, blijft er niets anders over dan de kern van het bestaan.

De gasten op het huis- en kind-inwijdingsfeest lachen aanvankelijk nog om zoveel sarcasme. Maar Emilia weet dat de woede van Jacob echt is. Dit voor het voetlicht halen is echt literatuur bedrijven. Schermer gebruikt wellicht iets te veel opsommingen, laat Emilia ook uit een droom ontwaken. Gebruik een droom, verlies een lezer. Maar het is een droom over verdrinken. Dat past, Emilia verdrinkt ook in de realiteit, in de liefde, in haar herinnering, in haar gevecht met het trauma. Het speelse én degelijke gebruik van de tijden, de, nogmaals, sterke, diep ingesleten vorm, kan geen enkele waarachtige lezer onberoerd laten.

Schermer weet van de twist, van de bijzin, van het enkele woord dat een scène in een ander daglicht stelt. Bruch is met het oog op het opkomende water, zaken in dozen aan het inpakken en naar boven gaan transporteren. De ongemakkelijke stiltes spatten van het papier. ‘Ik maak dit morgen wel af,’ zegt hij. ‘Doe dat,’ zegt Emilia. Dat duidt niet alleen op het klusje, maar ook op zijn poging om in gesprek te gaan. De noodkreet van Emilia die aanzwelt tot een heftige flashback. Het feit dat Emilia sociologe is, een statisticus, past naadloos in de opbouw. Bruch staat ergens machteloos. ‘Deed hij dat eerst ook, dat vuisten ballen?’ Iets dat hij eerder doet uit onmacht dan uit agressie, maar Emilia verbindt het aan de aanvaller. Was haar huwelijk een vlucht? Er volgen scènes tussen Bruch en Emilia die zwaarbeladen zijn, waarbij je als lezer alleen maar kreten van de oplopende spanning kunt slaan. Oef. Oef. Het water dat stijgt, dat uiteindelijk een uitweg zal zoeken.

En dan gooit Schermer ineens het ventiel open. Een ijzersterk slot. Wie heeft voor wie zaken verzwegen. Zoals gezegd: we hebben allemaal een geheim leven.

Delen
Koppelingen
Boeken