Oud zink van Koos van den Kerkhof
Recensie door Ezra de Haan (10 april 2009)

Boerenkool

Ver verwijderd van het stedelijk rumoer, het gekrakeel van de grachtengordel, schrijft Koos van den Kerkhof, voormalig stadsdichter van Venlo (2002), zijn gedichten. Oud zink is de neerslag van jarenlang dichterschap. Als docent aan de schrijversschool van het Centrum voor de Kunsten in Eindhoven en de Hogeschool van Amsterdam heeft hij geleerd zuinig te zijn met zijn taal. Wat je van anderen eist, geldt immers ook voor de docent. Zijn gedicht ‘Boerenkool’ kun je dan ook als een statement opvatten: zo schrijf je een gedicht. Een andere wijze is er niet.

Boerenkool

Woorden zijn net de boerenkool
van toen ik veertien was.
IJsdruppels in de krulbladeren.

Ik kromde de vingers onder de latten
zette de krat, met snijkoude
stronken gevuld, op de bascule.

Tot het op en neer wippende mes
stilstond op gelijke hoogte
met het vaste mes, brak ik de bladeren af.

De boerenkool was aan zijn gewicht.
Dus bleef je er af. Net als van de woorden.


De dichtbundel bestaat uit vier afdelingen: ‘Venus’ (autobiografische gedichten), ‘Tussen aanhalingstekens’ (gedichten over schrijven), ‘Oud zink’ (experimentele gedichten), ‘Stadsgedichten’ (gedichten geschreven als stadsdichter van Venlo).

De bundel opent lichtvoetig met het gedicht ‘Slag’, een in luchtig parlando beschreven herinnering. Ieder woord staat op de juiste plek, vormt steeds weer een toets, tot het tafereel geschilderd is. Van den Kerkhof heeft het over de asgrauwe en de appelrode huizenrij en voor je het weet, droom je weg naar de eigen kindertijd. Dan roffelt hij je wakker.

De roffel lijkt nergens naar,
merk ik nu ik het vertel.
Mijn slag maakt maantjes in het blik


Juist dat dromerige, fijngevoelige van zijn taal in contrast tot de scherp meelezende dichter, die ook nog eens commentaar geeft, maakt dit gedicht tot meer dan een terugdenken aan. Van den Kerkhof haalt deze truc vaker uit. Hij verbindt ogenschijnlijk verschillende zaken met elkaar en maakt ze daar juist verbazingwekkend duidelijk mee. Een goed voorbeeld daarvan is een fragment van zijn gedicht ‘Overloon’ waarin hij de strijd die zich daar afspeelde in drie regels schetst.

Gehelmd in hun schuttersputten
sneller dan het zwart van de sluitertijd
oordeelden zij, haalden de trekker over.


‘Tussen aanhalingstekens’ is mijn meest favoriete afdeling van deze bundel. Niet alleen bevat het ‘Boerenkool’ maar ook andere gedichten die het schrijven of het creatieve proces als onderwerp hebben. Ze zijn soms uiterst nuchter, dan weer bijzonder filosofisch. Typerend is echter wel dat de toon en de woorden exact gekozen zijn. Gedichten als een rekensom. Er is maar een uitkomst.

Een schaal opent

Uit de gedachte wil een vaas ontstaan.
Kneedbaar glad bolt uit een ronding.
Een schaal opent rank haar monding
doorademt de ruimte met volle maan.


Koos van den Kerkhof toont zich even de docent. Schoonheid haast lyrisch beschreven, wisselt hij af met helderheid die haast zen-achtig aandoet. Het schrijven betekent niets meer dan zand dat stroomt, uit de handpalm. Een zandgroeve of een woordenwisseling kunnen het uitgangspunt zijn om de lezer iets uit te leggen over het schrijven of denken.

De hand spreekt zich uit
snijdt als een keukenmes

of: En dus zet zij
met twee vingers tussen
aanhalingstekens, wat blijft
steken in de keel.


Oud zink, de titel van de gedichtenbundel komt uit ‘Windkracht acht’ waarin de dichter Hollandse wolkenluchten op de pagina tot leven brengt. Als een Breitner of Weissenbruch kwakt hij de kleuren op het papier. Haast tastbaar worden ze.

(Uit: Windkracht acht)

Bleekwit als watten
zwellen ze, dotten torenhoog.
Vocht hult ze in oud zink.
Elegant, paarden galopperend
over wilde poldervlakten
aan de blauwe lucht, drijven
ze verder.


Het stadsdichterschap van Koos van den Kerkhof leverde bijzondere gedichten op. Gedreven door het nieuws van de dag en zijn liefde voor Venlo schreef hij reacties op dat wat hem in die periode bezig hield. Steeds weer zoekt hij naar nieuwe woorden om de stad en de rivier en de mensen te treffen. Het verval krijgt zijn vorm in ‘De geest van V&D’, zinloos geweld in zijn gedicht over Renee, irritatie in ‘De lessen van het gat’ en handel in ‘Trade Port haven Venlo’.

Koos van den Kerkhof bewijst dat ieder onderwerp tot een gedicht kan leiden. Het is alleen aan de dichter er die woorden, die vorm en die taal bij te vinden die passend is. Pas als het kloppend is, lijkt het af. In Oud zink is de boerenkool aan zijn gewicht. Dan blijf je er af. Net als van de woorden. Alleen een dichter die weet heeft van taal en het mes kan zo’n bundel schrijven.