Rivier de Brantas van Alfred Birney
Recensie door Ezra de Haan (7 maart 2011)

Panta Rhei

Met Rivier de Brantas voltooit Alfred Birney de rivieren-trilogie die hij in 2009 begon met het schrijven van Rivier de Lossie. Rivier de IJssel verscheen in 2010 en met Rivier de Brantas is het verhaal nu compleet. Bijzonder aan deze reeks, overigens ook los van elkaar leesbare boeken, is de vorm, die van de novelle. In een tijd waarin het usance is geworden vuistdikke romans te schrijven, is het een verademing eindelijk weer eens literatuur te lezen die secuur geschreven is. Want daarin lijken novellen, net zoals kortverhalen en gedichten, op elkaar. Het gaat niet om de kwantiteit maar om de kwaliteit. Iedere regel, elk woord staat op de juiste plek. Minder is meer. Er ontstaat een rust die de lezer de tijd en de ruimte gunt ergens over na te denken. Hetzelfde gebeurt in de drie rivieren-novellen. Birney peinst en reist, vindt de vorm, de plek en de muziek die bij het verhaal hoort. Eindelijk durft iemand drie boeken afzonderlijk uit te brengen. Zuiver en alleen om te laten zien dat ze los van elkaar staan. En toch een geheel vormen. Niet voor niets heeft de gitarist in River de Brantas een voorkeur voor preludes. De prelude is verwant aan de novelle.

‘Ik heb een zwak voor preludes, voor dat wat begint, wat worstelt met de aanvang of eenvoudig zonder enige worsteling begint, de prelude als lente die iets groots aankondigt of waarop direct, zonder tussenliggende zomer, het verval van de herfst volgt, de prelude als instrumentaal voorspel zonder vastliggende vorm of als een improvisatie die voor het hoofdwerk wordt gespeeld, dan wel als opwarmer voor de muzikant of als mogelijkheid je virtuositeit te tonen…’

Het grootse waar Birney over rept in zijn beschrijving van de prelude is de nu voltooide trilogie. Het is een symfonie bestaande uit drie delen: Rivier de Lossie, een romantische compositie waarin duidelijk de Schotse volksmuziek doorklinkt, Rivier de IJssel, een moderne klassieke compositie, rechtlijnig als de Nederlandse cultuur eindigend met een nocturne, Rivier de Brantas, een speelse en snelstromende combinatie van krontjong, Uruguayaanse preludes en Venezolaanse walsen. Althans zo zouden de boeken klinken. De gitarist in de drie novellen van Alfred Birney is echter niet alleen met muziek bezig. Hij zoekt zijn wortels en dat blijkt niet eenvoudig. Het vraagt om een virtuoze benadering in drie novellen. Naarmate hij verder komt en dus teruggaat in de tijd, blijken zijn voorouders uit alle hoeken en gaten van de wereld te komen. Zo brengt Rivier de Lossie hem naar Schotland en komt hij via Rivier de IJssel in Deventer uit.

Liefhebbers van zijn werk wachtten natuurlijk op Rivier de Brantas, de novelle die zich op Java afspeelt. Birney maakte vooral naam met romans die zich in het Indo-milieu afspeelden. Het is dan ook niet verrassend dat sommige scènes uit vorige romans ook in de net verschenen novelle een belangrijke rol spelen. Bijzonder is wel dat Birney beter dan ooit laat zien wat het eigenlijk met iemand doet als hij zich nergens thuis voelt. De diaspora maakt een mens ontheemd. Ook als hij zijn familie of het land van herkomst bezoekt, gaat dit niet over. Integendeel, vrijwel elke opmerking, alles wat hij ziet of hoort, kan storend zijn Hij heeft een zesde zintuig dat iedere verwijzing naar afkomst herkent en veroordeelt. Het wemelt dan ook van de beschrijvingen van afkomst in dit boek. Iemand is van Chinees-Indonesische afkomst, er zijn indo's, chinezen, mestiezen, belanda's en Belanda's (blanken of Nederlanders). Wie dit probleem niet kent, vindt dit wellicht overdreven. Birney toont aan dat dit absoluut niet het geval is. Juist door op slakken zout te leggen, door bijvoorbeeld te wijzen op het verschil tussen Indisch en Indonesisch eten, merk je als lezer dat je de verschillen niet kent. Een weemoedig slaapliedje als ‘Terang Bulan’ klinkt heel anders als je de vertaling kent. En ook de vrijwel vergeten geschiedenis van de Chinezen in Indonesië blijkt niet voor niets gevoelig te liggen.

Dankzij een bevriende gitarist die een vervanger zoekt, krijgt de ik-figuur de kans naar Java te gaan. Hij is er eerder geweest maar vergat zijn grootmoeder eer te bewijzen door bloemen op haar graf te strooien. Eenmaal daar wordt hij geconfronteerd met de Nederlandse koloniale geschiedenis. In tegenstelling tot zijn ervaringen in Nederland begrijpt men op Java meteen waar hij het over heeft. Het brengt hem er zelfs toe om ‘Mother Swan’ op zijn gitaar te spelen, een nummer dat hij eigenlijk alleen voor zichzelf en zijn grootmoeder heeft geschreven. Met het verhaal van zijn oma lijkt ook zijn verhaal te beginnen. Net als hij had ook zijn oma het niet makkelijk met zijn vader. Wellicht heeft hij, net als zij, last van melancholie, kent hij een irreëel soort heimwee naar een land dat hij niet kent. Bij zijn vader kwamen maar weinig herinneringen aan zijn moeder en grootmoeder boven. Hij vertelde over strak ingezwachtelde voetjes en lotusvoeten en haar mogelijke stad van afkomst Kanton. Chinezen, ‘koelies’, zoals men ze toen noemde, werden geronseld door de Hollanders op Nederlands-Indië als gastarbeider. En weer lijkt de zoektocht van de verteller een nieuwe weg in te slaan. Dat die richting China gaat verrast niet. Zijn denken is immers gebaseerd op de I Tsjing en de Chinese astrologie.

Zoals te verwachten was, komt in Rivier de Brantas alles tezamen. De Schotse en Nederlandse rivieren monden uit in een Indonesische. Wie de twee vorige boeken las, herkent de thematiek, het zoeken en vinden van bewijzen, dat soms obsessief lijkt en de muziek die altijd en overal een grote rol in het leven van de verteller speelt. Ieder spoor, in elk boek, maakt alleen maar duidelijk dat er overal verwanten zijn. Voorheen onbekende verwanten blijken een spiegelfunctie te hebben. Op dezelfde wijze speelt Birney in deze drie novellen met de lezer een spel die, net als de ik-figuur, eerder minder begrijpt van de afkomst van de gitarist dan meer. Hij is net als zijn vader noch Chinees, noch Indo, noch Nederlander. Of Chinees én Indo-Europees én Nederlander. Als de drie novellen zijn bewijs van afkomst zijn, merk je dat hij iets met Schotland of Indonesië heeft. In zijn zucht naar symboliek verwelkomt een paard hem bij de Lossie en een zwaan hem bij de Brantas. De IJssel laat hem in de steek. Even hoop je dat een vierde novelle over de Parelrivier in China de verteller uit de brand haalt. Helaas bestaat Guangzhou, de stad waar zijn overgrootouders vandaan kwamen, niet meer. Kanton staat er letterlijk bovenop. Alleen door erover te zingen valt het nog te bereiken.

‘Het gaf mij een merkwaardig gevoel om van vreemden te moeten horen hoe ik voortaan naar de dingen kijken moest.’

Met deze regels besluit Alfred Birney de laatste novelle van zijn rivieren-reeks. Hopelijk vormen ze het begin van een trend en komt daarmee een einde aan de mode van vaak nodeloos dikke romans.