Rivier de Lossie van Alfred Birney
Recensie door Ezra de Haan (1 juni 2009)

Vreemdeling in een vreemd land

Na zijn roman Het verloren lied werd het stil rond Alfred Birney, een romanschrijver die tot dat moment met jaloersmakende ijver een indrukwekkend oeuvre bijeenschreef. Zijn debuut Tamara’s lunapark (1987) viel meteen op. Vervolgens schreef hij Bewegingen van heimwee (1989), Vogels rond een vrouw (1991), De onschuld van een vis (1995), Sonatine voor zes vrouwen (1996) en Het verloren lied (2000). En alsof dat nog niet genoeg was verscheen in 1999 de verhalenbundel Fantasia, in 1998 de bloemlezing Oost-Indische inkt en tot slot Yournael van Cyberney (2001), oorspronkelijk een weekjournaal op internet.

Met zijn novelle Rivier de Lossie vult Birney het hiaat dat in de Nederlandse literatuur ontstond tijdens zijn ‘schrijfpauze’. Zijn oeuvre is uniek, niet alleen door zijn stijl maar ook door de thema’s die hem bezighouden. Heel kort door de bocht zijn dat zijn Indische achtergrond, het internaatsleven, geweld, erotiek en muziek. Zes romans schreef Birney tot nu toe en zes keer liet hij een andere kant van zijn verhaal zien. Zo was bijvoorbeeld de vader in zijn boeken (Vogels rond een vrouw, De onschuld van een vis) beurtelings slachtoffer en dader. Vaak heeft het proza van Birney een poëtische toon, al beheerst hij meerdere registers. Zijn Yournael was scherp als een scheermes, niets en niemand ontziend.

Alfred Birney, de ikfiguur in Rivier de Lossie, doet denken aan personages van Kafka maar ook aan de passanten in de romans van de Zwitserse schrijver Franz Böni. Al deze personages zijn vreemdelingen in een vreemd land. Ze voelen zich bekeken, zijn vaak niet welkom en hebben derhalve angst of onbegrip voor de ander die hen afwijst. Voortdurend is er sprake van observatie, duiding en plaatsbepaling en toch behoudt de Birney in dit boek afstand. Hij is immers een man met een missie en niets zal hem daarbij afleiden. Die queeste, zijn onderzoek naar de herkomst van een van zijn Schotse voorvaderen, krijgt iets monomaans naarmate het boek vordert. Het dwangmatige van de ikfiguur om alles te herleiden tot zijn voorouders laat zien hoezeer afkomst iemands leven kan beïnvloeden. Bij Birney stroomt er, naast Schots en Nederlands, ook Chinees en Indisch bloed door de aderen. Rivier de Lossie is, verklapt Birney in een interview, het eerste deel van een reeks novellen waarin de auteur zichzelf helderheid probeert te geven over wat en wie hij nu eigenlijk is.

De Birney in het boek is veertig, zijn band is uiteen gevallen en een optreden in Schotland valt daardoor in het water. Hij besluit het vliegticket te gebruiken ‘om de bedevaart te ondernemen die ik mezelf ooit als jongeling had voorgenomen’. Een gitarist in een clandestiene folkclub, ergens in een hoekhuis in het Renbaankwartier, was op een avond in 1971 de aanleiding tot deze reis.

‘Op een barkruk zat een jongen met een bebrild vollemaansgezicht, varkenslijf en worstvingers geweldig gitaar te spelen. De jongen zong in het Gaelic. Ik verstond hem niet maar begon een land te missen waar ik nog nooit geweest was.’

Een vreemd soort van nostalgie drijft hem naar de Highlands, een combinatie van Schotse roots, de liefde voor folkmuziek en een sprank van hoop op inzicht in zijn afkomst. Die identiteit blijkt vrijwel non-stop een rol in het leven van de ikfiguur te spelen. Hij is de enige die gefouilleerd wordt door de douane, wordt meteen onder de noemer ‘jullie’ geplaatst en voelt overal mensen naar hem staren. En dat terwijl hij zich liefst Euraziaat noemt en als Nederlander te boek staat in zijn paspoort. Anderen zien hem aan voor Indonesiër, Indiaan of Maori, Molukker, Menadonees of Indo. Nooit wordt hij voor Nederlander gehouden. Eenmaal in Schotland is het dan ook logisch dat Birney jaloers is op de vanzelfsprekendheid van het Schots zijn onder de Schotten.

Het derde hoofdstuk geeft de novelle een draai die het boek naar een hoger literair niveau brengt. Een jonge bedelares en drie dronken mannen bezorgen de ikfiguur dromen die angstwekend realistisch zijn. Zozeer zelfs dat de lezer even op het verkeerde been wordt gezet. En ook verder in deze vertelling komen we dit soort scènes tegen tijdens de zoektocht van de schrijver naar zijn voorvader Birnie en de wandeling langs de Lossie. Want naarmate Birney meer informatie over Birnie vindt, blijkt hij meer en meer verwijderd van zijn roots. De beste informatie over zijn Schotse voorvader blijkt zich in Den Haag te bevinden. Waar hij vandaan komt. De ketjap in een Schots-Chinees restaurant lijkt een deel van het wapen van de Birnies te dragen.

‘Wíe met een Indonesisch-Schots-Nederlandse achtergrond als de mijne zou níet hebben gedacht dat die benen op die ketjapfles de benen van het wapenschild van zijn zeer verre voorouders waren? Drie benen die in het jaar 838 na Christus geamputeerd waren achtergelaten voor de finale strijd van de Scoten tegen de Picten ergens op een slagveld van modder, winden en regen.’

Overal probeert de schrijver iets in te zien dat van zijn gading is. En dan gebeurt het. Een ballade van Donovan maakt iets in hem los dat verder gaat dan de werkelijkheid van het alledaagse Schotse leven. Eerst is het nog subtiel, drie roeiers, wellicht een drieling in een boot op de rivier de Lossie. Dan de ontmoeting met een jonge vrouw met kastanjebruine haren en het eerste couplet van Donovan. Wat hij meemaakt lijkt ooit eerder bezongen in de oude ballade. En hoezeer Birney ook mijmert over het verleden, zijn vader en zijn gitaarspelen, steeds hangt die ballade in de lucht. Ieder couplet roept een volgende gebeurtenis op. Of wellicht de herhaling van dat wat ooit, lang geleden, plaatsvond.

‘Er was een lied dat sluimerde in mijn herinnering, maar dat niet aan de oppervlakte wilde komen. Het hinderde me, terwijl de trein voortsnelde naar Elgin, een klein stadje in Moray, een provincie in de Highlands, waar mijn zeer verre voorouders duizend jaar eerder dood en verderf hadden gezaaid, waarvan uiteraard niets meer te zien was toen ik de trein uitstapte.’

Bijzonder is de vanzelfsprekendheid van dit verhaal dat nergens zweverig wordt. Integendeel, het is zo aards als het maar kan…en toch blijkt er meer aan de hand. Alles lijkt voorbestemd in het leven van het personage Birney in deze roman. Hij volgt de weg van zijn Schotse voorvader. Een weg die vol van geweld en vluchten is. Net zoals die van zijn eigen vader. Niet voor niets schreef de auteur ooit de regels: ‘Dat het heden altijd in het verleden aanwezig is en in de mens zijn voorouders.’

De vermenging van droom en werkelijkheid, heden en verleden, de wijze van schrijven die eerder op suggestie berust dan op feiten, maakt dat de novelle steeds meer op een legende begint te lijken. Een volksverhaal van eeuwen her, alleen door vrouwen doorverteld, waarin een oude ballade tot leven komt. De taal waarin deze novelle geschreven is, past daar bijzonder goed bij. Prachtig zijn de minutieus beschreven landschappen en het geserreerde taalgebruik. Ook het perspectief dat gekozen is valt op. De lezer volgt de ikfiguur op de voet en weet net zoveel als hij. Hierdoor is het een voortdurend puzzelen met de verkregen feiten en moet je waarheid en fantasie van elkaar zien te scheiden. Juist daardoor ga je steeds meer waardering krijgen voor de stijl van het boek. Economisch geschreven als het is, staat er geen woord teveel. Maar wat er staat klinkt nog lang na herlezing door. Die weemoedigheid zonder dat het ook maar een moment sentimenteel wordt, blijkt de enige taal waarin deze novelle geschreven had kunnen worden.

Rivier de Lossie is een novelle geworden zoals alleen Alfred Birney die kan schrijven. Op originele wijze beschrijft hij de problematiek van de moderne mens die overal en nergens zijn thuis vindt. Juist door dit verhaal te verweven met een Donovan-ballade wint dit verhaal met iedere bladzijde aan kwaliteit. En als je het boek hebt uitgelezen, besef je dat Birney niet alleen zijn eigen verhaal heeft verteld maar ook Donovans ballade in de vorm van een roman tot leven heeft weten te brengen.

‘Er was iets merkwaardigs, als ik mocht geloven wat ik zag. Niet aan de roeiboot maar aan de roeiers. Had elk van die roeiers maar één been?Ik draaide me in het voorbijgaan om, wreef mijn vermoeide ogen uit en stelde vast dat het werkelijk zo was. Ik tuurde door het raampje van de treincoupé de boot na, die op het ogenblik dat ik aan mijn waarneming begon te twijfelen uit het zicht verdween.’

Met zijn novelle Rivier de Lossie is Alfred Birney teruggekeerd tot de Nederlandse literatuur. Alsof hij nooit weg was. Hij bewijst dat Vuijsje-achtige platheid onnodig is bij het schrijven over identiteit. Het kan ook met stijl. Reikhalzend kijk ik uit naar de volgende novellen die de puzzel van zijn afkomst moeten completeren.