Ruwe olie van Karel de Vey Mestdagh
Recensie door Ezra de Haan (12 april 2010)

Dirty ships. Dirty business!

Ruwe olie, een uitgave van In de Knipscheer, is de eerste roman van Karel de Vey Mestdagh die in 2005 met de verhalenbundel Onder een hemel van tin debuteerde. Het boek opent met een proloog over een ontroostbare Anna in Volisós, een dorp in Griekenland, maar speelt zich grotendeels af op Curaçao en de omringende Caribische wateren. Ruwe olie gaat dan ook over internationale gebeurtenissen, zwendel en machtspolitiek in 2001.

Teun de Vidal, Vidal voor zijn vrienden maar voor de meeste mensen meneer de Vidal, is ambassadeur geweest en heeft zijn baan op Buitenlandse zaken ingeruild voor een freelance baan als consultant. Het brengt zijn huwelijk in gevaar dat, na een slippertje, toch al op de tocht stond. Een opdracht op Curaçao komt dan ook als geroepen. Als hij de vliegtuigtrap afdaalt, roept het eiland gevoelens van heimwee op naar de ruime toelagen die hij ooit als ambtenaar ontving. Met een van de hoofdpersonages komt ook de lezer aan op Curaçao. De Vey Mestdagh beschrijft die aankomst als een ervaren eilandbezoeker. Je voelt, ruikt en proeft het eiland, zelfs als je er nog nooit bent geweest.

‘De avond was gevallen, maar desondanks beving de hitte me op het asfalt dat lag na te gloeien van een dag lang onbarmhartige zon. Mijn colbert zat me direct ongemakkelijk en mijn broekspijpen leken aan mijn benen te plakken. Ik snoof de mij zo bekende lucht op van de Benedenwinden: warm, vochtig, in de verte ruikend naar karton, naar een fletse geur van schimmel en verrotting met een zoete vleug. Iets zoets dat aan je lippen kleefde en werd versterkt door het zilt van de passaat die eeuwig kwam aanwaaien over de onstuimige branding aan de noordkust. Mijn neusvleugels trilden, dit was Curaçao!’

De Vey Mestdagh is een schrijver die weet hoe hij lezers moet verleiden. Het is niet alleen het Caribische waaraan hij ons laat ruiken, hij giet er ook een vleugje suspense bij. Zo schetst hij de ‘buurvrouw’ van Vidal in het vliegtuig als een uiterst aantrekkelijke dame die wellicht iets met drugssmokkel te maken heeft. De besognes van Vidal betreffen echter andere problemen op Las islas inútiles, de nutteloze eilanden - zoals de Spanjaarden ooit de Benedenwinden met minachting noemden. Het gaat hem om internationale aangelegenheden.

Meteen als Vidal in Fort Amsterdam met Ravelijn, de directeur van de Dienst, in gesprek gaat, merk je dat de auteur het jargon van dit soort heren kent. Vidal krijgt dossiers mee om zich in te lezen. Terwijl hij nog namijmert over de afkomst van Ravelijn, die de hele Antilliaanse geschiedenis in zijn genen met zich meedraagt, merkt hij dat er iets aan de hand is. Het is 11 september en samen met wat verslagen Antillianen kijkt hij gebiologeerd naar een sneeuwerig televisiescherm waarop de instorting van het World Trade Center te zien is. Deze vermenging van feiten en fictie gaan we vaker in deze roman tegenkomen. Het samengaan van wat we kennen met wat zou kunnen, geeft een redelijk onbehaaglijk gevoel.

Zelfs ervaren topambtenaren als Vidal en Ravelijn zijn door de aanslag geschokt omdat juist op dat moment een van de hoogste veiligheidsadviseurs van het Witte Huis op het eiland op vakantie is. Ze zijn bang dat Curaçao door de bezoeker ook een ‘target’ kan worden. De minpres, in normaal Nederlands minister-president, is al op de hoogte gebracht. Het hectische van het gebeuren heeft zijn weerslag op de roman. De Amerikaanse consul, de Curaçaose autoriteiten, de veiligheidsdienst, de politie en de marine, werkelijk alles en iedereen wordt gemobiliseerd om de official van het Witte Huis veilig thuis te krijgen. De opluchting na de afronding van deze klus is echter van korte duur. Alleen komt de opwinding in de roman nu uit een heel andere hoek. Dagny Bilitt, een wonderschone mulattin en de eigenaresse van het hotel waarin Vidal verblijft, blijkt meer in hem te zien dan een hotelgast. Voor even vergeten ze de ontluistering die de septemberdag met zich meebracht en verliezen ze zich in elkaar.

Vooruitwijzend op wat komen gaat gebruikt De Vey Mestdagh Curaçao als metafoor.

‘We spelen op deze klip allemaal een rol, Vidal, ieder voor zich; een rol waar we wel in moeten geloven, want het is onze werkelijkheid, maar het is een werkelijkheid die volgens mij achter de horizon niet bestaat en daar ook niet begrepen wordt. Je moet overeind blijven op deze struikelrots en er niet afvallen, want dan verdrink je in de golven. De zee ontneemt ons het zicht op de wereld.’

De volgende dag verneemt een door de liefde licht benevelde Vidal van Ravelijn dat die hem hard nodig heeft. Een volgend probleem komt op hen af in de vorm van een schip vol met illegale olie. Koste wat kost moet voorkomen worden dat die olie in Willemstad wordt gelost. Dat zou een overtreding van VN-sancties zijn.

Langzaam begint het de lezer duidelijk te worden waarop De Vey Mestdagh wees met zijn citaat ‘Un palabra, su simplesa ta apsurdo,’, want de werkelijkheid blijkt absurd als politici het elkaar moeilijk gaan maken.

Ver weg van de wereld van de diplomatie staat de Griekse kapitein Ioannis Ferakis aan het roer van een olietanker. Zijn schip is een wereld op zich, vormt een eiland en komt daarmee overeen met Curaçao. Niet voor niets gaat een citaat uit The Rime of the Ancient Mariner van Coleridge aan dit hoofdstuk vooraf. Er wacht de Olympic Destiny niet veel goeds. Ferakis vermengt legale olie met illegale en spaart met deze malversaties voor de toekomst van zijn gehandicapte zoon. Ook op zijn laatste reis heeft hij de verleiding van het grote geld niet kunnen weerstaan. Daarmee is hij weer in het web van malafide opdrachtgevers, Irakezen, een oliehandelaar en cynische afnemers terecht gekomen. Het naderend onheil verbeeldt De Vey Mestdagh mooi met een referentie naar The Rime of the Ancient Mariner: een enorme albatros vliegt met het schip mee en blijft ‘biddend’ Ferakis lang aankijken. Deze voelt een rilling over zijn rug gaan. Een albatros kondigt immers rampspoed aan.

Net als bij Vidal begint die rampspoed met het Breaking News dat een vliegtuig in een toren van het World Trade Center is gevlogen. En terwijl de ene na de andere aanslag op Amerika bekend wordt, dringt het tot Ferakis door dat hij nu met zijn besmette, illegale olie grote problemen kan krijgen. Curaçao, het Caribische belastingparadijs en niet echt een oord voor strikte handhaving van wetten, lijkt hem de ideale plek om zijn olie te lozen. Helaas voor hem wordt Irak inmiddels in verband gebracht met Al Qaida. In de persoon van Ravelijn maakt Curaçao Ferakis snel duidelijk dat ze hem liever niet zien verschijnen. Maar de Destiny kan met zijn formaat nergens anders terecht. Zo ontstaat een patstelling waarbij het schip en zijn bemanning en de diplomaten op Curaçao niet meer voor of achteruit kunnen. Amerika en de VN zien toe op de naleving van de boycot en Internationale Aangelegenheden op Curaçao moet het probleem maar zien op te lossen.

Keer op keer wijst De Vey Mestdagh in deze roman op de eenzame mens, een speelbal op de golven van internationale wateren. Speels wordt het jargon van die wereld gebruikt in zinnen als ‘We moeten de man op de heuvel bellen’, met wie de Amerikaanse consul wordt bedoeld. Het schip met zijn kleurrijke bemanning vormt een eiland vol mensen die allemaal hun mening over de politieke ontwikkelingen hebben. De auteur schetst zo met groot gemak hoe wereldwijd op 9/11 werd gereageerd. Naarmate de Destiny langer voor anker moet blijven liggen, groeit het ongenoegen onder de zeelieden. En ook op Curaçao ziet men de situatie als een Amerikaans complot. Het zwarte goud aan boord van het schip is in zwarte gal veranderd en ieder voorstel om de zaak op te lossen stuit op een ‘no-go’ uit Washington.

Ruwe olie van Karel de Vey Mestdagh is een vlotlezende, literaire roman waarin harde feiten en een grote kennis van het ‘wheeling and dealing’ van de diplomatieke wereld tot heerlijke faction heeft geleid. Curaçao speelt een belangrijke rol in dit boek. Tussen de diplomatieke gesprekken door lezen we over de raffinaderij, de wijk Pietermaai, Fòrti (Fort Amsterdam), en het Wilhelminaplein. Dat is de kracht van De Vey Mestdagh, zowel Griekenland als Curaçao doen ertoe in dit boek, net zoals de personages, die van vlees en bloed zijn. Het maakt hun beweegredenen begrijpelijk en daarmee des te pijnlijker.