Tempels in woestijnen van Boeli van Leeuwen
Recensie door Ezra de Haan (22 oktober 2014)
Ik ben zoals ik ben

Vrijwel alle grote schrijvers geven toe dat ze ooit, in hun jeugd, gedichten hebben geschreven, wanneer ik hen dat vraag. ‘Een jeugdzonde…’ mompelen ze er vaak achteraan. De grote Curaçaose schrijver Boeli van Leeuwen gaf ruiterlijk toe dat, ook hij, ooit poëzie had geschreven. Liefhebbers van zijn proza, en wie is dat niet, kennen die passage in ‘Onkel Patrice’, een van de vele verhalen in de magistrale bundel Geniale anarchie (1990). In dat verhaal beschrijft Boeli van Leeuwen hoe zijn Onkel Patrice op een persje, driftig pedalerend, zijn dichtbundel Tempels in woestijnen (1947) produceert. ‘In een lichtblauw, nauwelijks zichtbaar letterschrift.’ Als drukkerij stond op de achterkant Imprenta Bolívar vermeld. Van Leeuwen verhaalt in hetzelfde verhaal hoe het met deze bundel is afgelopen.

‘De totale oplage bestond uit vijftig exemplaren, waarvan tien mislukten. Van de veertig overgebleven bundeltjes heb ik er acht verkocht in de winkel van Abram Salas. Een tiental werd verdeeld onder vrienden en de rest is in de loop der jaren door kakkerlakken opgevreten.’

Geen van de achttien exemplaren die met zekerheid ergens zouden moeten zijn, heb ik in mijn leven ooit mogen aanschouwen. Althans, tot de dag dat kenners de nalatenschap van Boeli van Leeuwen mochten bekijken en in een boekenkast een, zij het door de tand des tijds danig versleten, exemplaar van Tempels in woestijnen opdoken. Het bewijs was geleverd! Tempels in woestijnen was geen hersenspinsel van Boeli geweest, het was een bundel van vlees en bloed. Negen gedichten, een vierregelige, een van wel vijf pagina’s…

Argwanend als ik ben, heb ik het moment afgewacht tot ik het verloren schaap met eigen ogen mocht bekijken, in het Letterkundig Museum te ‘s-Gravenhage, helaas beschermd door een glasplaat. Anders had ik het drukwerk zeker in mijn armen genomen en gekoesterd…

Uitgeverij In de Knipscheer heeft de eerste publicatie van Boeli van Leeuwen herdrukt. Los van de gedichten vinden we ook het verhaal ‘Onkel Patrice’ terug in de bundel. In de verantwoording wordt duidelijk gemaakt dat de dichter zelf ook plannen met zijn poëzie had: een fotoboek, samen met Carlos Tramm, in de trant van In dit licht. In diezelfde verantwoording lees ik dat lezers zouden kunnen concluderen dat Van Leeuwen zélf afstand nam van zijn vroege poëzie. Wederom komt het verhaal ‘Onkel Patrice’ ter sprake.

‘…nam ik moedeloos de pen ter hand en begon een paar gedichten in elkaar te draaien. Ik had toen al voldoende taalgevoel om te beseffen, dat ze bar slecht waren, maar ik heb in mijn wanhoop, toch een aantal gefabriceerd.
Toen wij, na de honeymoon, weer in het dagelijkse leven waren opgenomen, zat ik met een aantal slechte gedichten, die ik met een perversiteit, iedere creator eigen, toch in druk wou zien.’


Nu zou je deze passage voor waar kunnen nemen. Ik heb daar echter mijn bedenkingen bij. In dat geval zou Onkel Patrice werkelijk de uitvinder zijn geweest van een bom volgens een nieuw en revolutionair principe, had hij een aanslag op generalísimo Vicente Gómez op zijn geweten en was hij vertaler in het Spaans van letterlijk àlle talen… Boeli van Leeuwen was een verhalenverteller en verhalenvertellers zetten de waarheid naar hun hand. Ze zwakken iets af, dikken iets aan, vergeten of fantaseren al naar het hun uitkomt. Natuurlijk zal hij zo zijn gedachten bij zijn eerste publicatie hebben gehad. Ook Frank Martinus Arion heeft er last van. Maar beiden waren zich er vast van bewust dat die poëzie de kraamkamer van hun latere oeuvre was. Daar was het ooit begonnen.

Wanneer je, met de boeken van Van Leeuwen in gedachten, Tempels in woestijnen leest, herken je de taal. Net zoals je de toets en de kleur van een schilder herkent. Deze gedichten komen onmiskenbaar van de hand van Boeli. Je leest strofen en voorziet de werken die later zijn geschreven: De rots der struikeling, Een vreemdeling op aarde, De eerste Adam, Schilden van Leem, Het teken van Jona. Van Leeuwen had de taal meteen bij zijn kladden. Hij is in staat tot het spelen van heerlijke preludes maar mist nog wat aan ervaring. Los van de taal valt zijn wijsheid op en de compacte verwoording daarvan. Alleen al voor de laatste twee strofen van het gedicht ‘Moeder van mijn moeder’ zou je deze bundel moeten kopen.

Hooghartig reikt deze aristocraat
De schuwe dood haar tere hand:
Een vorstin wordt niet gedwongen maar zij gaat.

In de wenteling der dingen
Grijpen dood en leven
In elkaar als ringen.


In de bundel klinkt de Tweede Wereldoorlog door, wat logisch is, met een publicatie in 1947. Boeli van Leeuwen kiest voor twee gedichten die, qua thematiek, zeer typerend zijn: ‘Luchtgevechten boven een krankzinnigengesticht’ en ‘Oorlog’. Bij het eerste gedicht zegt de titel al genoeg. In ‘Oorlog’ komt de godvruchtige schrijver naar voren die, als altijd in zijn werk, voor beelden zorgt die langer dan een boek of bundel beklijven:

Oorlog (drie fragmenten)

Madonna’s branden nu in deze mensenhel
En Christus glijdt van zijn verkoold symbool
Voorover in de vlammen

De Duivelgod, voltrekker van het lot,
Stond in mijn koortsig brein, groots en onbewogen,
Tot ik in de knieën brak, mijn voorhoofd
In zijn mantel borg en de weg aanvaardde.

Toen de morgen door de as en rook was heengedrongen,
Lag de stad verminkt;
Kathedralen als verwonde reuzen op hun zij
Hooghartig nog in het vergaan.


Een prachtig en uiterst belangrijk gedicht, zeker wanneer je het over een begin van een oeuvre hebt, is Otrobanda. Hier leert de lezer de schrijver kennen, de man met het scherpe oog dat niets en niemand mist. Iemand die schoonheid in verval ziet maar het niet gaat idealiseren. De Otrobanda van toen was wel even anders dan die vandaag. We hebben het niet over een toeristische attractie maar over het gevaarlijke stadsdeel van Willemstad, ten westen van de St. Annabaai, waar Boeli van Leeuwen werd geboren. Hij kende de smalle stegen, de schurftige honden en de lucht van rotte vis. Het uitgelaten lachen van negerinnen met hun spitse oerwoudborsten. De vissers, grommende stoomboten en okergele huizen. In vier strofen weet de schrijver, als nog jonge dichter, de wereld die hij kent samen te vatten. Het gedicht is sterk als ‘Denkend aan Holland’, heeft dezelfde liefde en afkeer in zich en eindigt met de mooie regel: >i>‘Kan een sterveling een rijker leven wensen?’

Op die regel kan ik maar een antwoord geven: Met Tempels in woestijnen in de hand, niet.