Torent een man hoog met zijn poëzie van Michaël Slory
Recensie door Ezra de Haan (23 oktober 2012)

Slory is Suriname

Wie Paramaribo kent, weet dat Michaël Slory (1935) daarbij hoort. Je vindt hem op de overdekte markt of komt hem elders in de stad tegen. Daar leest hij zijn gedichten voor en probeert zijn bundels te verkopen.

Michaël Slory heeft inmiddels een leven vol dichten achter de rug. Zijn eerste bundel Wakadron (Marcheertrom), die hij zelf heeft gekopieerd, vormde een ode aan de bevrijder van Zaïre, Patrick Loemoemba. Zijn officiële debuut was de bundel Sarka / Bittere strijd (1961) die hij onder het pseudoniem Asjantenoe Sangodare bij de communistische uitgeverij Pegasus publiceerde. Vervolgens schreef hij nog twee Nederlandstalige dichtbundels, Brieven aan de guerrilla en Brieven aan Ho Tsji Minh. Achteraf gezien zijn het typisch jaren zestig-boeken, bevlogen en strijdlustig.

Slory is inmiddels in Nederland Spaans gaan studeren en leert daar Ons Suriname en Wie Eegie Sanie kennen. Hij begrijpt dat de communistische ideologie haaks staat op de nationalistische strijd voor eenheid in Suriname. Wanneer hij in 1970 naar Suriname terugkeert, verandert zijn poëzie. Hij schrijft achttien bundels in het Sranan. Een soortgelijke draai maakt hij weer in 1982. Vanaf dan wordt alleen nog het Spaans en het Nederlands voor zijn gedichten gebruikt. En zo bleef en blijft de lijst van publicaties maar groeien.

De grote productiviteit en blijvende kwaliteit van Michaël Slory werd met vele prijzen en onderscheidingen bekroond. Het Prins Bernhardfonds onderscheidde zijn gedicht ‘Koroni Kawina’, hij ontving de Esso- literatuurprijs, de Gouverneur Currie-prijs, de Sticusa-prijs voor niet-Nederlandstalig Surinaams werk en de Literatuurprijs van Suriname. Het Ridderschap in de Ere-orde van de Palm werd Slory in 1989 toegekend. De auteur kwam echter niet opdragen tijdens de uitreiking ervan. Zijn wantrouwen jegens de autoriteiten was te groot. De Rijswijkse stichting Friendship en de stichting Afro-Surinaams Cultureel Centrum ter stimulering van jonge dichters heeft als eerbetoon aan Slory de Michaël Slory Literatuurprijs ingesteld.

In 1991 verscheen de eerste bloemlezing van Michaël Slory onder de titel Ik zal zingen om de zon te laten opkomen. Michiel van Kempen was de samensteller en schreef ook de inleiding. Torent een man hoog met zijn poëzie is de tweede bloemlezing die Van Kempen samenstelt en dat is geen overbodige luxe. Wederom ligt er een bundel van hoge kwaliteit op mijn bureau. De gedichten zijn voor een groot deel door Slory in het Nederlands geschreven. Maar ook die in het Sranan ontbreken niet. Broederlijk staan de in het Sranan geschreven gedichten naast de, door John Leefmans, in het Nederlands vertaalde. Helaas mocht John Leefmans niet het genoegen smaken zijn vertalingen in boekvorm te zien. De bundel viel in zijn brievenbus op de dag dat hij overleed.

Als ik Torent een man hoog met zijn poëzie lees, ontkom ik niet aan de gedachte dat dit inderdaad een bundel is van iemand op leeftijd. Gelukkig is dat in positieve zin. Het is de stem van iemand die durft te relativeren en desondanks nog steeds vol passie is. Zo schrijft Slory in de eerste strofe van het gedicht ‘Bescheidenheid siert de mens’:

Vind je niet
dat jouw eigen maaksels
jouw handen al na één dag
zijn ontgroeid?


Over zijn idealen van zijn jonge jaren is hij eerlijk in ‘De wand van het verleden’:

Heb je beet
op de wand
van het verleden?

Jouw vergeten dromen
opgehoopt?

En nu ze
één voor één tevoorschijn komen:

zul je op ze jagen
zoals toen?


Dat de dichter in Coronie geboren is, merk je door zijn gedichten over de hengelaars. Waar je nostalgie zou verwachten, vind je poëzie. Pure schoonheid. Slory is vis en hengelaar tegelijk. Twee strofen van het gedicht maken meteen duidelijk dat hij een heel groot dichter is.

De vele hengelaars na een overstroming (fragment)

Het is de vraag
of de overstroming de vissen
reeds heeft klaargemaakt
voor die andere taal van het water

En de ogen en de handen
verlangend naar vangst
op dit ogenblik.


Voor wie ooit in Suriname was, is deze bundel non-stop herkenning. Je ziet die wieders met hun kapmes bij een goot, hoort de kwakende kikkers in het schemerdonker, tuurt naar de hengelaars bij het kanaal. Slory ziet alles wat er rondom hem gebeurt en legt daar de schoonheid van vast. Ook toen zijn hoop op een betere wereld vervloog. Misschien zijn juist de gedichten waarin hij dat proces beschrijft nog wel de mooiste. De moedeloosheid ervan en het schone gedicht dat daar vervolgens uit voortkomt is indrukwekkend.

Zoveel ik kon
heb ik de straat bezongen.
Zoveel ik kon.
De richels van de daken,
de pijlers van de hekken,
de oude, jichtige bomen
op de hoek
die hun gebaarde wijsheid
van tijd tot tijd
doen vallen.

Ik heb geen klacht geuit
naar mens of steen,
al was mijn lied alleen.

Maar waar de hoop verdween,
bleef leegte, bleef een verte
en die weent.


Het titelgedicht van de deze bundel bestaat uit twee regels. Ze zijn teruggebracht tot steeds drie woorden. Zo vormen ze de toren, de ivoren toren zo u wilt, waarin de dichter huist. Slory weet dat hij, ondanks al zijn inzet, ondanks alle talen waarin hij schreef, wellicht door woordkeuze of vorm, buiten de massa bleef. Iedereen kent hem, maar hoeveel mensen hebben hem gelezen? Uit dit gedicht spreekt de hoop dat zijn werk uiteindelijk iedereen mag bereiken. Hij schrijft niet voor niets gedachten in plaats van gedichten. Voor de verspreiding van zijn gedichten heeft hij zijn leven lang gezorgd. Maar zijn gedachtegoed, zijn immense liefde voor de natuur en niet te vergeten de vrouw, die wil hij verspreiden.

Torent
een man hoog
met zijn poëzie,
des te lichter
de woorden>br> die stromen
uit zijn heelal.
Des te weidser
de verspreiding
van zijn gedachten
in het al.


Michaël Slory ziet Torent een man hoog met zijn poëzie als zijn testament. Niet verwonderlijk voor iemand van zevenenzeventig. Wie Slory kent, weet dat het niet bij deze bloemlezing of bij deze gedichten zal blijven. Waarschijnlijk is er in de tijd die tussen samenstellen en drukken lag al het nodige geschreven. Dichters als Michaël Slory leven om te dichten. Eigenlijk is de man niets anders dan poëzie. De twee bloemlezingen vormen een ode aan de liefde en Suriname en behoren tot de beste poëzie die in Zuid-Amerika is geschreven.