Veertig dagen van Samira Dainan
Recensie door Guus Bauer (1 maart 2016)
Kan een boek te particulier zijn, of kan de lezer toch baat hebben bij de zoektocht, herkenning vinden in het intieme? De vader van zangeres Samira Dainan komt uit Marokko, haar moeder is een Nederlandse met Indische roots. In haar debuut – Veertig dagen, mijn zoektocht naar troost – beschrijft Dainan het eerste verwerkingsproces na de dood van haar vader. Een non-fictie verhaal, een reisverslag, een herschikking van de herinnering, van de beleving van een vader-dochterrelatie en tegelijk een ‘samenvatting’ van wat de verschillende geloven eigenlijk te bieden hebben aan vertroosting. Rouw is universeel, roept algemene existentiële vragen op.

Veertig dagen heeft daardoor dus bestaansrecht, maakt ook zo nu en dan zelfs gebruik van de kracht van verbeelding en de terloopse bespiegeling die je in een roman kunt terugvinden. (Uitgever c.q. marketeer, wilt u nu eens ophouden, iemand die een eersteling produceert, gelijk ‘schrijver’ te noemen.) Dainan vult haar verslag aan met historische achtergronden. Nuttig, maar soms wordt er iets te veel uitgelegd. Dat zorgt er echter wel voor dat het boek geschikt is voor een breed publiek.

Samira’s vader was een getroebleerd kunstenaar. Hij kwam naar Nederland en voorzag in zijn onderhoud als chef-kok. Hij leed kennelijk aan schizofrenie. Iets dat Dainan teder omschrijft.

Zijn geest raakte de weg kwijt. [ … ] Nu hij dood is praat iedereen over hem. [ … ] Mijn vader de weldoener, sterke, gekke, strenge, maar ook liberale vader. Hij benadrukte mijn vrijheid, liet me de keuze te geloven of niet en gaf mij alles wat hij kon geven. Ik was zijn enige, zijn trots.

Meer dan wat ook is Veertig dagen – overigens verwijzend naar de lengte van de rouwperiode bij de Berbers en Arabieren – een standbeeld voor een uitzonderlijke vader. Iemand die waarschijnlijk ernstig heeft geleden aan de beknotting van zijn vrijheid. Op de eerste bladzijden beschrijft Dainan de rituelen rond de teraardebestelling van haar vader in Marokko – op een besloten begraafplaats, een pelgrimsoord. Dainan is voor het eerste gesluierd en draagt een djellaba. De mannen hebben bij de plechtigheid het voortouw. Hier laat Dainan heel goed de beknotting van haar eigen vrijheid voelen. De natuurlijke drang om afscheid te nemen die gefnuikt wordt door vaste riten. Gebruiken die je tegen de borst kunnen stuiten, die ergens ontmenselijken, de verschillen tussen de seksen benadrukken. Lastig voor iemand die vrij is opgevoed zoals Samira, iemand die haar eigen weg gaat, die goed is opgeleid. (Ze is ook juriste.)

Eenmaal terug in Amsterdam komt de klap pas echt.

Er is geen ruimte tussen mij en de enorme leegte door mijn vaders overlijden. Ik ben de leegte en ik wil mijzelf nog niet vullen.

Gelukkig heeft ze een uitnodiging om zich aan te sluiten bij een project van een Nederlandse componist die samen met Palestijnse en Nederlandse kunstenaars aan een totaalfestival in de oude stad van Jerusalem werkt. Daarnaast is ze gevraagd voor een muzikale uitwisseling aan de Palestijnse Al Quds University. Op de twaalfde dag komt ze aan in Tel-Aviv. De harde werkelijkheid komt haar rauw op het dak. Ze kwam om mooie dingen te doen, om daarmee tevens de rouw een plek te geven, maar wordt waarschijnlijk vanwege naam en uiterlijk eerst flink door de mangel gehaald. Dainan verhaalt vervolgens op indringende, en vooral eerlijke, wijze over de problematiek van de regio. Het betwisten van de verschillende groeperingen van de verschillende gedeeltes van Jerusalem. Ze bezoekt heiligdommen, zendt gebeden voor haar vader de hemel in, en verbaast zich bovenal over de starre houding van de Israëlische overheid.

Dainan is daarin objectief, kijkt niet uitsluitend met een sterkgekleurde (Arabische) bril, laat de complexiteit zien. (Wellicht van haar vader geërfd die ook een genuanceerde mening had over de situatie in het Midden-Oosten.) Een man in Ramallah op de Westelijke Jordaanoever is cum laude afgestudeerd in het strafrecht. Hij volgt een traject om openbaar aanklager te worden in de Verenigde Staten. Een visum voor Amerika kan hij zo krijgen, maar familie opzoeken in het vijftien kilometer verder gelegen Jerusalem is voor hem verboden. Een muur, checkpoints.

Dainan bezoekt de heilige plekken van alle gezindten. Zoals gezegd is Dainan zeer eerlijk. Ze formuleert helder – zonder dat de jurist in de tekst doorschemert. Ze bemerkt dat hoe meer heiligdommen ze bezoekt, hoe onoverzichtelijker het wordt. Maar ze verbindt door haar bezoek, en ergens dus ook door haar boek, juist de verschillende geloven. Wijken ze eigenlijk wel zo veel af? Ze aanbidden toch eigenlijk alle drie dezelfde god, erkennen elkaars profeten.

Wat had ik dan verwacht? In de meest betwiste stad ter wereld een recept voor vrede te vinden?

De vader van Dainan was als jongeman een groot criticaster van het harde bewind van de toenmalige koning Hassan II in Marokko. Hij gebruikte zijn dicht- en schilderkunst om daar uiting aan te geven. Tot ongenoegen van de geheime dienst. Later kwamen de angsten voor diezelfde dienst hem achtervolgen. Wanen en paranoia. Maar desondanks was hij een aanspreekpunt, een helpende hand voor diegenen die vanuit Marokko als gastarbeiders overkwamen. Hij gaf ze een baantje en te eten en zorgde voor kleding.

Langzaam, mede ook door de realiteit van de dag, beseft Dainan dat het verdriet over haar vader er gewoon mag zijn. Op de zestiende dag zingt ze weer voor het eerst sinds haar vader is overleden. De reinigende, troostrijke werking van de kunsten, al lukt het haar nog niet helemaal om voluit te zingen. Niet voor niets heeft Dainan de (dagboek)teksten met vertaalde liedteksten, gedichten en soera’s verrijkt. Op de negentiende dag schrijft ze haar vader, haar baba een simpele en daardoor effectieve, roerende brief.

Dat ik alleen ben en niet alleen, om mij is geen muur, ik ben hier en maak contact met alles en iedereen. Dank je wel baba, dat je mij hebt leren kijken met mijn hart.

Ja, een particulier boek kán aanspreken. De epiloog bij het graf van vader en de bijna mystieke ontmoeting bij de wandeling daarna, alsmede een uit het Arabisch vertaald vers van vader Ahmed maken het boek mooi rond.

Laat mij nog een keer praten
over mijn jeugd, zo zoet
Ze is als een mooi liedje,
dat mijn ziel bereikt
als mijn einde is gekomen.