Zoeken naar Slory van Ezra de Haan
Recensie door Guus Bauer (20 december 2014)

Geen bezoek tijdens werktijd

Er zijn maar een paar zaken echt van belang in het (literaire) leven. De liefde, ja, ja, maar ook het kunnen opbrengen van enthousiasme, in de breedste zin van het woord, tot aan het, helaas zonder uitzondering, bittere einde. Ook als je zoals redacteur, dichter, schrijver, recensent en interviewer Ezra de Haan (1957) reeds de zes kruisjes nadert, is het de kunst om de verbazing, de verwondering nog toe te laten. Het helpt de mens in de strijd tegen de veroudering, tegen de lethargie. Niet achter de geraniums blijven zitten, maar op zoek naar de passiebloemen.

De Haan, toch al een wereldreiziger in de kunst – hij reist vaak met zijn van oorsprong Duitse vriendin, een beeldend kunstenaar, mee naar China, Japan en Noord-Amerika – krijgt van de schrijfster Ruth San A Jong een uitnodiging om op de Surinaamse Schrijversvakschool een aantal cursussen te geven. Hij twijfelt geen moment. Wie zou dat wel doen?! Het is een uitgelezen kans voor de jonge onderzoeker (van geest dan) om tegelijkertijd de natuur, de levenswijze van de inwoners, de inborst en de taal en de muziek van de voormalige kolonie te bestuderen. En, niet te vergeten, om de grote verscheidenheid aan voedsel te proeven. De Haan heeft van ‘zijn cultuurshock’, zijn eerste en naar verluidt niet het laatste bezoek aan het land, een dagboek gemaakt, getiteld Zoeken naar Slory.

De Haan, ditmaal solo op pad, lijkt zich vast voor te hebben genomen om niet als een zelfingenomen bakra de toerist te gaan uithangen, maar zich daadwerkelijk open te stellen voor de kleinigheden, hoe eigenaardig ook, die Suriname maken tot wat het is. Een totaal andere wereld dan het beeld dat veel Nederlanders – vaak diegenen die er nog nooit een voet hebben gezet – van de voormalige kolonie hebben, gekleurd door de berichtgeving in de Nederlandse media: een wankelende samenleving namelijk, die neigt naar een bananenrepubliek, waar de ferme hand van Den Haag wordt gemist.

Het is duidelijk dat er door de gewone bevolking nog wordt opgekeken tegen Nederland. De huidige regering heeft lak aan de voormalige kolonisators. Maar velen, de armoede is niet te vermijden, zien in een vertrek naar het voormalige moederland een uitweg. Daar zal alles beter zijn. Gelukszoekers zijn doofstom voor de teleurstelling van spijtoptanten die een tijdje in Nederland hebben gewoond en die ook daar meestal hebben moeten ‘hosselen’ om aan de kost te komen.

De Haan heeft voor vertrek ook het plan opgevat, interviewer in hart en nieren immers, om tijdens zijn bezoek de legendarische Surinaamse dichter Michaël Slory te ondervragen. Iedereen kent hem, heeft van hem gehoord of zelfs bij hem in de klas gezeten. Het moet een peulenschil zijn om een afspraak te regelen. Van diens Nederlandse uitgever heeft De Haan wat royalties meegekregen en een paar contracten. Een kwestie van het zakelijke met het aangename verenigen.

De Haan heeft na aankomst zijn intrek genomen in een appartementje. Om er wat eigen kleur aan te geven hangt hij overal pangi-stoffen op. Daarvoor heeft hij winkeltjes afgestroopt en met de verkoopsters onderhandeld. Ook de kleurrijke markt bezoekt hij vrijwel dagelijks. Daar zou Slory regelmatig dichtbundeltjes van eigen hand – de schrijf- en uitgeefwereld is in Suriname een doe-het-zelfzaak – proberen te slijten en de krant waar hij ook voor schreef, De Ware Tijd, ophalen. Net zoals De Haan. Maar Slory treft hij niet.

Via korte citaten uit De Ware Tijd geeft De Haan een duidelijk beeld van een, naar het lijkt, murw geslagen maatschappij. Een land vol tegenstellingen, een land ook met vaak onverholen discriminatie tussen Creolen, Hindoestanen, Javanen, bosnegers en andere in- en uitheemse bevolkingsgroepen onderling. De journalisten, en de lezers met hen, zijn dol op statistieken, terwijl de realiteit vooral uit laissez-faire en puur overleven bestaat. De boel de boel laten op een jaloersmakende manier.

Maar De Haan schetst ook een bemoedigend beeld van de mensen die hij tegenkomt, gewoon op straat, in de (eet)winkeltjes. Een beeld waardoor je begrijpt waarom ook veel bakra’s toch verknocht zijn aan dit stukje Zuid-Amerika.

De tijd verstrijkt toch sneller dan gedacht – hoewel de uren met broeiende hitte en slagregens lijken voort te kruipen – en Slory is nog steeds niet gevonden. De Haan is inmiddels met de boot en met taxi’s het land af geweest. Hij heeft de geboortegrond, het district Coronie, en de binnenlanden verkend. Hij heeft zijn nummer achtergelaten bij de krant, heeft bij het schamele woonhuis – de dichter woont alleen – van Slory tevergeefs aangeklopt. Het versterkt het boek alleen, want het is eigenlijk niet belangrijk of hij de levende legende treft of niet. De dichter en zijn land wonen zogezegd in zijn gedichten. De gedichten schetsen in hun ogenschijnlijke eenvoud een eigen beeld van Suriname. Een land van wonderbaarlijk schone vrouwen, van een overweldigende natuur. Een land dat blijft verbazen, waar de mensen nog zichzelf durven zijn, dat door improvisatie toch fier overeind blijft, net als dit uiterst informatieve, romaneske (dag)boek dat een eerste inzicht geeft in de ingewikkelde verhoudingen tussen Surinamers onderling en tussen Suriname en Nederland.

Met een nuttige bibliografie en een uitgebreid persoons- c.q. schrijversregister.