Afgekapt Dichtwerk van Rogi Wieg
Recensie door Ezra de Haan (15 juli 2014)
In 2012 verscheen Rogi Wiegs laatste bundel Khazarenbloed. Het was de zoveelste bundel in het toch al omvangrijke oeuvre van Wieg. Al meer dan dertig jaar schrijft hij zijn verzen. Het ouder worden en wat dat teweeg brengt is een van de onderwerpen in Afgekapt Dichtwerk, zijn net verschenen bundeling van gedichten uit de periode 2007- 2013.

Eerlijk, maar ook ontluisterend, is de wijze hoe Rogi Wieg zichzelf beschrijft. Iedereen die wat ouder wordt tobt met het verslijten van het lichaam, slechts weinigen zien echter ook de schoonheid van dat verval en vinden er de woorden voor. Een goed voorbeeld daarvan is de eerste strofe van het gedicht ‘Het water en mijn lichaam’:

Weer bleek aan zee dat ik
een oudere man geworden ben,
vertraagd in het lopen door dunne,
vervuilde bloedriviertjes,
te noemen: spataderen.


Prachtig is ook het begin van ‘ALL OF ME’:

Was mijn hart ooit een ijzeren
vuist, volgegoten met de bloedvloeistof
van een beeldhouwer, mijn oudere hart
is een takje, haast zonder formaat.


Rogi Wieg kijkt naar zichzelf en schetst de wereld als een God. Wanneer je het gedicht ‘Datering 2013’ leest denk je aan Willem Kloos en aan T.S.Eliot. Hun stemmen en ideeën klinken door, worden onderdeel van weer zo’n typisch Rogi Wieg gedicht, vol verwijzingen, fijne metaforen en onlogische logica. Kortom de dingen die je alleen met poëzie duidelijk kunt maken. Wieg legt de vinger op de pijnlijke plek(ken), klinkt als een profeet en is tegelijkertijd modern en uiterst tijdloos. Hij geeft vorm aan het vormeloze, maakt het abstracte tastbaar. Gedurende het tijdsbestek van een gedicht krijgt de lezer inzage in de wereld van Rogi Wieg.

Datering 2013

Eind april, of aan het begin van (pijnloos?) mei,
is het na meer dan dertig jaar niet voldoende.
Het zal nooit genoeg zijn, zoals de zwarte moorden
en de witte handkussen doorgaan in de werelden.

Het is het meest echt als het ’t minst echt is,
op het hoogste punt van de abstractie, zoals vandaag
wanneer ik een Heilige Geest ben die niets lijkt
te betekenen, maar alles vertelt met vleesloze lippen.

Op een lege tafel ligt een stuk brood en staat
Een beker rode wijn.
Dit is allemaal niet concreet,
geen voedsel en drank, geen goedheid,
geen brandwonden, geen gekromde, vuile vinger
die wijst naar een kruis.

Op een lege tafel ligt de hele wereld die
mij zo bekend en onbekend is.


Peinzend over de wereld en het leven dat pijn doet, zoekt de dichter troost bij lotgenoten, andere dichters die hij kende of bewonderde. Zo staat er een gedicht voor de Hongaarse dichter Attila József, de schrijver van de bundel Het doet heel veel pijn, in Afgekapt Dichtwerk, maar ook een voor René Stoute. Bij József speelt de vraag wat hem nu in psychiatrische zin mankeerde, bij René of Renate het gedeelde talent van muzikale dichter zijn. En dat ze beiden een kaartje voor de railway to heaven hadden. Met dit verschil dat Stoute die nachttrein eerder genomen had.

Rogi Wieg stelt vragen, ook als dichters er al lang niet meer zijn. Aan Hans Andreus vraagt hij of hij nu weet waar het allemaal voor diende, bij Gerrit Achterberg zoekt hij troost. Sterven betekent voor Wieg niet dat je dood bent. En hij gaat ver in die gedachte. Bijvoorbeeld in het gedicht voor zijn vader dat ‘I.M. Andris Wieg’ heet. Hij laat de doden grijnzen. Zolang ze niet gecremeerd worden. Als in vrijwel ieder gedicht van Wieg staat er een of meer prachtige regels in. In dit gedicht zijn dat:

We hebben, als we niet te vroeg
sterven, allemaal de jeugd van ons
leven, want we hebben maar een
enkele jeugd binnen een enkel leven.


Veel gedichten in Afgekapt Dichtwerk komen over als een inventarisatie van een leven. Wat is er gedaan? Was het genoeg? En ook een zekere vermoeidheid klinkt door. Wieg vraagt zich af of hij een ‘dichter met lege pen en een leeg vel’ is geworden. Wie de bundel met aandacht leest kan niet anders concluderen dan dat niets minder waar is. Het leven mag de dichter zwaar vallen, zijn gedichten blijven van uitzonderlijke klasse. Wie anders dan Wieg beschrijft slapeloosheid als volgt:

Overdag niet geslapen. In de nacht op slaap gewacht.
Daarna op de slaap gejaagd, iets van bijna niets met een
zwarte vacht. Mank gejaagd op deze slaap, zonder stok of
stalen speer.


Het is een van de vele gedichten waarin hij iets beschrijft dat er niet is, dat wat pas tastbaar wordt als je de woorden erbij vindt. Dat zoeken en vinden van die woorden kost de dichter veel. Soms is hij zelfs verwonderd wanneer het weer eens lukt. ‘Lang geleden dat ik een vers schreef./ Lang geleden dat ik zo was,’ schrijft hij dan. Rogi Wieg heeft een godgegeven talent om jaloers op te zijn. Het is dan ook te hopen dat het afscheid waarover hij soms in deze bundel rept, nog lang op zich laat wachten. Het gedicht ‘Ik kom terug’ geeft mij dan ook hoop. Het gedicht speelt zich af in een koffiehuis en bevat de woorden: Ze weten hier dat het onbewijsbaar/ is dat je niet terugkomt uit het niets/ meer wezen. In schril contrast met het Schwarzenegger machismo van ‘I’ll be back’ kiest Rogi Wieg voor de volgen de regels:

Mijn afscheidswoorden heeft niemand
Gehoord. Ik zei: ‘Mensen tot morgen.’
En ik vertrok, levend en wel, met een nog
Geldige tramkaart in mijn jaszak.

O ja, ik kom terug.


Laten deze woorden profetisch zijn, en laat Rogi Wieg nog vele keren het drama dat leven heet bezingen. Alleen mensen zoals hij, die de moed daartoe hebben, kunnen ons inzicht en hoop geven. Afgekapt Dichtwerk is een belangrijke bundel, zèlfs binnen het indrukwekkende oeuvre van Wieg.