Alle gedichten van Jorge Luis Borges
Recensie door Ezra de Haan (2 februari 2012)

De bewaker van de boeken

Wie over de Zuid-Amerikaanse literatuur spreekt, heeft het meestal over Gabriel García Márqueuz, MarioVargas Llosa of Julio Cortázar. Jorge Luis Borges wordt binnen die context zelden genoemd. Borges is een schrijver van de buitencategorie, die kleine groep van wereldberoemd geworden schrijvers die een wereld op zich vormen. Auteurs als Nabokov, Kafka, Joyce of Burroughs. Ze hebben zich aan traditie of landsgrens ontworsteld en zijn zelf een voorbeeld voor anderen geworden. Borges hoort ook bij een andere, nog kleinere, groep van schrijvers, zij die blind werden en doorschreven alsof er niets aan de hand was. John Milton, voor eeuwig in de canon bijgeschreven door zijn Paradise Lost, Wyndham Lewis, de schrijver, dichter, essayist en schilder die meerdere boeken letterlijk op de tast schreef, de Belgische dichter Marcel van Maele en ook de bij tijden totaal blinde James Joyce kenden net als Borges de inktzwarte nacht die blind zijn is.

Voor de actieve lezer en schrijver is er geen grotere nachtmerrie te bedenken dan die van de verblinding. Deze latente, altijd aanwezige angst werd werkelijkheid toen ik mij in Hamburg aan de ‘Dialoog in het donker’ waagde. Onder begeleiding van een blinde bracht ik anderhalf uur door in het pikkedonker, leerde ik te vertrouwen op mijn blindenstok, tast- en reukzin. Binnen een minuut werd ik geconfronteerd met de problemen die plaveisel, bruggen en oversteekplaatsen opleverden. Nooit eerder luisterde alles zo nauw, nimmer heb ik zo indringend in het duister getast. Vreemd genoeg went alles. Ik betaalde, zij het met moeite, mijn bier en vond ook het glas waar het inzat. Ruimte en afstand waren abstracte waarden geworden en toch kwam er ook een heerlijke rust over mij. Tot ik aan lezen dacht en de onmogelijkheid ooit nog een van mijn favorieten te kunnen herlezen. Het zweet brak mij uit. En op dat moment opende zich een deur en werd ik wederom verblind. Nu door het licht.

Boeken en dromen zijn, naast de vrouw, datgene waar het allemaal om draait. Borges wist dat als geen ander. De rijkdom van wat je gelezen hebt en waar je een leven lang op kunt teren, valt niet in geld uit te drukken. In het geval van Borges kwam er op een geven moment niets meer bij. Hij moest het, door blindheid getroffen, doen met dat wat er in zijn geheugen was opgeslagen. Zelf schreef hij: de pagina’s die ik heb gelezen zijn mijn trots (laat anderen pronken met de pagina’s die zij hebben geschreven). Hij wist dat weten en kennen belangrijk was en had zijn jonge jaren gevuld met het lezen van alles wat er op zijn weg kwam. Alsof hij wist wat er later boven zijn hoofd hing…

(Een lezer-fragment)

…omdat vergetelheid
een van de vormen van herinneren is, de schimmige kelder ervan,
de andere, geheime kant van de medaille


Voor Borges waren boeken meer dan vermaak of ontspanning. Literatuur en de schrijvers ervan vormden de wereld waarin hij zich bewoog. Hij wist dat alles wat hij schreef later deel uit zou gaan maken van wat wereldliteratuur heet. De makers ervan waren, dood of levend, zijn vrienden. Ze vertolkten soms beter dan hij, wat er in hem omging. En dat schreef Borges op zijn beurt weer op.

Mijn boeken

Mijn boeken (die niet weten dat ik besta)
zijn mij even vertrouwd als dit gezicht
met grijze slapen en met grijze ogen
dat ik vergeefs zoek in het spiegelglas
en dat ik aftast met mijn holle hand.
Niet zonder een zekere logische wrevel
Bedenk ik dat mijn wezenlijke woorden
staan op de pagina’s die niet weten wie ik ben,
niet op de pagina’s die ik heb geschreven.
Het is beter zo. De stemmen van de doden>br> vertolken mij voorgoed.


Een gedicht in Alle gedichten dat op ‘Mijn boeken’ lijkt is ‘Een blinde’ waarin Borges zijn blindheid en het aftasten van zichzelf beschrijft. Dat Milton in dit gedicht voorkomt, is niet verrassend. De blinde dichter biedt Borges een ijkpunt zoals tientallen andere dichters en schrijvers in zijn gedichten dat ook doen. Bijzonder is wel dat Borges keer op keer een gedicht weet te schrijven waaruit het bijzondere voor hem van een auteur duidelijk wordt. Mooi en schrijnend zijn de woorden in ‘Een blinde’.

Een blinde

Van wie is het gezicht dat mij aanschouwt>br> als ik mij in het spiegelglas bespied?
Ik ken de man niet die zijn spiegeling ziet
met heimelijke toorn, die al verflauwt.
Traag in mijn duister tast ik met mijn hand
mijn onzichtbare trekken af. En dan:
een fonkeling. Ik vang een glimp op van
je haar, asgrijs, of nog met goud omrand.
En ik herhaal dat ik weinig heb verloren,
de dingen zijn nu oppervlakteloos.
Het is een dappere troost, in Miltons sporen,
maar ik denk aan de letters en de roos.
Ik denk dat, oog in oog met mijn gezicht,
ik weten zou wie ik ben in het maanlicht.


In een ander gedicht van Borges, dat ‘De blinde’ heet, gaat hij nogmaals op het onderwerp in. In de laatste regels daarvan komen de dromen voor, iets waar hij vaker over schreef.

De blinde (fragment)

Alleen de gele vormen blijven almaar komen
en als ik zie, zie ik alleen maar bange dromen.


Borges’ gedichten over dromen en slapen kunnen zich meten met die van Coleridge, Keats, Kloos of Shelley en zijn ook duidelijk op een romantische leest geschoeid. Emoties, gedachten en angsten die van alle tijden zijn komen tezamen in prachtige gedichten als ‘Het ontwaken’, ‘De slaap’, ‘De droom’ en ‘ Spinoza’. Neem regels als: Zijn roem, spiegeling van dromen in de droom/ van een andere spiegel, stoort niet, noch de schroom/ en liefde van maagden die om hem is. Of de slotregel van ‘De slaap’: Wie zul je zijn vannacht in het obscuur/ domein van dromen achter gene muur? Meesterlijk is ook de opening van het gedicht ‘Het ontwaken’:

Het ontwaken (fragment)

Het licht valt in en ik verhef mij traag
uit dromen naar de droom die ieder deelt;
de dingen wordt de plaats weer toebedeeld
die ons bekend is en vertrouwd; vandaag
is overweldigend bijeengekomen


Jorge Luis Borges schreef voor hen die, net als hij, verliteratuurd waren. Wie zich in de loop der jaren van een literaire rugzak heeft voorzien, geniet des te meer van de gedichten van de meester. Al zijn helden komen langs. Joyce, Kafka, Byron, Spinoza, Browning, Rilke, Emerson, Meyrink, Melville, Keats, Poe, Conrad, ze staan er allemaal in. Maar een van de mooiste gedichten, wat dit onderwerp betreft, is ‘Aan een zekere schim, 1940’ dat voor De Quincey, de opiumschuiver, werd geschreven. In de laatste regels beschrijft Borges een gevoel dat ik maar al te goed ken: de liefde voor een inmiddels lang geleden gestorven schrijver. Het is vriend die je kent en bewondert, hoe vreemd dat ook mag klinken.

Aan een zekere schim, 1940 (fragment)

mogen wij worden gered door onontcijferbare bouwsels
die gruwel geven aan jouw droom.
Jij broeder in de nacht, opiumsnuiver,
vader van kronkelige volzinnen die al torens en doolhoven zijn,
vader van woorden die we niet vergeten,
hoor je mij, vriend die ik nooit aanschouwde
dwars door die niet te peilen dingen heen,
de zeeën en de dood?


Dat ik het tot nu toe nog niet over de vertaling van de gedichten heb gehad, is het gevolg van de kwaliteit ervan. Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer hebben de poëzie van Borges vertaald op een wijze die volkomen natuurlijk aandoet. Zelfs de oorspronkelijke vorm is bewaard gebleven en daaruit blijkt hoe meesterlijk de vertaling is. Je vergeet dat het vertalingen zijn. Voor de echte liefhebber heeft de uitgeverij ook het origineel naast de vertaling geplaatst. Het levert een boek op dat iedere echte poëzieliefhebber op zijn nachtkastje moet hebben staan. Alle gedichten van Borges is een hoogtepunt in de wereldliteratuur en een pronkstuk voor de boekenkast.