Alleen de titel is nog niet af van Karel ten Haaf
Recensie door Ezra de Haan (26 december 2014)

Daar heb je hem weer met z’n Vaandrager

Het einde van het jaar nadert, een jaar waarin weinig Nederlandse literatuur mij heel gelukkig heeft kunnen maken. Alle Solomonica’s ten spijt en de bejubeling daarvan door (weer) bekende Nederlanders, zocht ik eerder mijn troost bij schrijvers als Kees ’t Hart en Pim Wiersinga. Maar… er gloort licht aan de horizon, er zijn schrijvers die niet voor de commercie gaan. Schrijvers die de voetbal laten liggen en hun energie in de kleine, vergeten schrijver durven te steken.

In de zogenaamde Tzum-reeks is deel 3 verschenen, u begrijpt het al, het betreft de verzamelde columns van Karel ten Haaf voor een van de prettigste literaire sites van de Lage Landen. In deze ‘stukjes’, zoals de auteur ze nog bescheiden noemt, komen de randverschijnselen van de Nederlandse literatuur aan bod. Ten Haaf is zich, in tegenstelling tot vele andere scribenten, bewust van het feit dat literatuur uit meer bestaat dan ‘een handjevol bestsellers en drie grote schrijvers’. Liever begeeft hij zich in tweedehands boekwinkels of bibliotheken om lang vergeten schrijvers of onder het stof verstopte dichters te ontdekken. Bibliofiele uitgaven, obscure tijdschriften en cultschrijvers zijn z’n drijfveer…

Als intermezzo. Wie is deze man die dwars tegen de stroom in roeit? Karel ten Haaf (1962) is schrijver en dichter. Hij verdient de kost als telefonist te Groningen. Publicaties: Geen zomer meer (2003), Bokkenvla (2004), Meisjespijn (2007), Prozie/poëza- van de straat (2012) Liefhebbers kennen hem als de man die Vaandrager op handen draagt.

Karel ten Haaf heeft een heerlijk boek geschreven. Een boek dat je gretig maakt als liefhebber van literatuur. Je weet haast niet waar je moet beginnen. Het is een luxe doos bonbons waarop je je verheugt. Je neemt je voor er af en toe een op te eten. Ervan te genieten, kleine hapjes te gaan nemen. De waarheid is dat je de doos in een keer leeg vreet. Als een dier. In mijn geval betekent dat bladeren, een naam herkennen en fragmenten lezen, kijken of er een register in zit… ja, er zit een register in het boek. Schrijvers zoeken, hoofdstukken over hen lezen, nieuwsgierig worden naar meer… Vervolgens bij het begin beginnen en nogmaals alles, ook dat wat ik al gelezen heb tot mij nemen. En dit alles met een zinderend genot.

Karel Ten Haaf is een schrijver die leest, nauwgezet en doortastend. Komt er een vraag op, dan zoekt hij het uit. Zijn ‘stukjes’ of columns zie ik eerder als een aanzet tot diepgravend literatuuronderzoek. Zijn interesse in details zet hem keer op keer op het spoor van zaken waar ik álles over wil weten. We hebben het hier over ware liefde voor de taal en de literatuur. Iets wat ik tegenwoordig zelden tot nooit in recensies nog tegenkom. Misschien ligt het aan mij. Ik ben, net als Karel, zo’n gek die diverse taalfragmenten van K. Schippers of C.B. Vaandrager naast elkaar leg. Ook ik koester uit elkaar vallende tijdschriften uit de vorige eeuw en juich wanneer ik een variatie of omissie ontdek. Bij Ten Haaf is er sprake van eerbetoon, en dan niet aan een koene Nederlandse ridder die ergens in de woestijn de Taliban verdreef, nee gewoon voor een dichter of schrijver. Voor iemand die zijn eigen baan ging.

De rij namen van belangwekkende auteurs in deze verzameling Ten Haafstukjes is lang. Ik zal er een paar noemen om u te verleiden: Jeroen Brouwers, Daniël Dee, L.H. Wiener, Frans Kusters, Du Perron, Boudewijn Büch, A.L. Snijders, Johnny van Doorn, Hans Verhagen, Jotie ‘t Hooft en natuurlijk Cornelis Bastiaan Vaandrager. Natuurlijk staan er vele onbekende auteurs tussen, vergeten, verstoten, dat is juist het mooie… Juist waar de tandeloze tijd zijn best heeft gedaan om schrijvers uit de canon te gooien, haalt Ten Haaf ze dankbaar weer binnen. Door middel van sappige anekdotes en het noteren van tekstvarianten komen ze weer tevoorschijn, de helden van weleer. En wat zijn ze vaak de moeite waard.

Kenmerkend voor Ten Haafs interesse is de diversiteit van de columns. Voor elk wat wils. Het kan over een nummer van Links Richten uit 1932 gaan en de bijdrage van Marsman aan dat nummer (hij wilde aantonen dat iedereen wel een revolutionair gedicht in elkaar kon draaien), maar ook over het begrip ‘verzameld werk’. Ten Haaf bewijst keer op keer dat er altijd omissies zijn. En er is meer dat hem bezighoudt, neem zaken als spookboeken, signaturen, samenwerk, vervalsingen en bibliofilie. De columns over dit onderwerp beginnen met de regel: ‘Bibilofilie is geen ziekte en ook geen geaardheid – het is een keuze.’ Wie zich in daarin wil verdiepen of er alle dagen al van geniet, dient deze stukken zeker te consumeren.

Is er dan niets op deze publicatie aan te merken? Jazeker! Twee heikele punten. Allereerst had het véél meer moeten zijn, een boek dat Statenbijbel dik was. Ten tweede, en nu word ik even echt kritisch, is de kwaliteit van het object zelf teleurstellend. Alleen de titel is nog niet af is een boek dat je steeds weer wilt herlezen, na wilt slaan. En in de huidige vorm kan dat niet. Al na een uur lezen krulde de omslag. Tevens is het lettertype wel erg klein. Ik stel dan ook voor dat Karel ten Haaf door blijft schrijven. Een tweede vermeerderde druk, dat is de oplossing. Nu gebonden, met leeslintje en als dat niet kan, op z’n minst zo mooi als Bauer maakt vrienden, immers ook een verzameling Tzum-columns. Maar laat ik positief eindigen:

Karel ten Haaf schreef het boek waar ik heel 2014 op heb zitten wachten. Het is een boek dat ik zelf had willen schrijven. Wat een geluk dat ik het mocht lezen.