Alleen in Berlijn van Hans Fallada
Recensie door Guus Bauer (8 oktober 2014)
Op zijn laatste benen voltooide Hans Fallada, pseudoniem van Rudolf Ditzen (1893 – 1947), in een periode van vier weken eind 1946 zijn tweede grote roman over de kleine man in moeilijke tijden. Jeder stirbt für sich allein (Alleen in Berlijn) zou net als het kort daarvoor geschreven Alpdruck (Een waanzinnig begin), een autobiografisch werk over de wetteloze tijd na de Duitse capitulatie, postuum verschijnen. Zoals ook Der Trinker (De drinker), het derde boek waaraan hij in die periode werkte, pas drie jaar na zijn dood gereconstrueerd kon worden uitgegeven.

In 1945 vluchtte Fallada vanuit het landelijke Feldberg naar Berlijn omdat hij niet opgewassen was tegen de hem door het Rode Leger opgelegde taak van burgemeester – hij was twaalf jaar lang als ‘ongewenst auteur’ getreiterd en vernederd, maar kon de menselijkheid toch niet aan de kant zetten. Hij hoopte met zijn tweede, dertig jaar jongere vrouw Ursula een nieuw bestaan op te kunnen bouwen.

Na een zekere periode van lethargie, gevoed door het geld van Ursula, leek Fallada te ontwaken uit zijn roes toen de dichter en latere cultuurminister Johannes Becher hem onderbracht in een villa in de door de Russen gecontroleerde sector Pankow. Bovendien voorzag hij het echtpaar van voedsel en kolen en, zelf ook niet vies van een beetje vergetelheid op zijn tijd, tevens van roes- en slaapmiddelen.

Becher geloofde namelijk heilig in de capaciteiten van Fallada. Hij zag in hem – een schrijver de niet gevlucht was, maar zijn heil had gezocht in ‘innerlijke emigratie’ – dé aangewezen kandidaat om een grote roman te schrijven over de oorlogsperiode, in de trant van zijn eerdere succesnummer Kleiner Mann – Wass nun? (Wat nu, kleine man?) (1932). In Een waanzinnig begin slaagt Fallada’s alter ego dr. Doll daar niet in. Hier valt mooi de twijfel van de schrijver in te bespeuren, zo nauw verbonden met de creativiteit.

Fallada was altijd al een zeer productief auteur geweest. Ook in deze periode schreef hij artikelen voor de krant en perste er tussendoor – ‘om bij te komen’ – nog wat verhalen en een kinderboek uit. Jeder stirbt für sich allein verscheen in 1947 in een ingekorte, ‘politiek-correcte’ versie. Terwijl het Fallada overduidelijk te doen was om via een vrij grove, ietwat uit het lood geslagen voorstelling van zaken de verstikkende atmosfeer van die oorlogsdagen weer te geven. Maar chargeerde hij wel? Is het niet een van de vaste gegevens van een dictatuur dat ze juist onder de eigen bevolking angst zaait, paranoia aanwakkert en aanzet tot spionage en, vaak opportunistisch, verraad. Dat de almachtige dogmamachine van de nazi’s niet alleen de vijanden van buitenaf, maar juist ook de eigen volksgenoten zonder problemen vermaalt. Alles voor de partij! Het individu bestaat niet meer. Keuzemogelijkheden zijn er niet. Of toch wel?

Het sterke aan de ongecensureerde versie, die we vanaf nu bij de Nederlandse titel Alleen in Berlijn zullen noemen, is het feit dat die duidelijk maakt dat zelfs de allerkleinste vorm van verzet grote gevolgen kan hebben. Iets in de trant van een slag van een vlindervleugel in de Amazone, die bij ons tot een storm kan leiden.

Fallada kreeg van zijn uitgever een procesverslag toegespeeld van het echtpaar Otto en Elise Hampel die beiden in 1943 waren terechtgesteld wegens landverraad. Twee jaar lang hadden ze briefkaarten geschreven met in een onbeholpen handschrift leuzen tegen het regime en die op openbare plaatsen gedeponeerd. Met het idee zo de onvrede een stem te geven, en wellicht protest aan te zwengelen.

Hitler hatt keine Frau
Der Schlächter keine Sau
Der Bäcker keinen Teich
Das ist dass dritte Reich


Aanvankelijk was Fallada nogal terughoudend, vond, onterecht overigens, dat hij zelf ook maar een beetje met de stroom was meegedreven gedurende de oorlogsjaren. Maar hij pakte dit bijzondere geval toch op, omdat hij zich realiseerde dat er mensen waren geweest die ten opzichte van zichzelf het fatsoen hadden willen bewaren, die na de oorlog met opgeheven hoofd wilden rondlopen. De Hampels, eenvoudige lieden uit het noorden van Berlijn, handelden niet eens uit politiek bewustzijn, maar puur uit verontwaardiging en om vrij basale redenen zoals gierigheid. Otto Hampel was een bijzonder zuinig, teruggetrokken levend mens. Op bijna elk van de ruim tweehonderd kaarten die hij schreef stond zijn eigen Carthago vermeld: Geef niet aan de Winterhulp.

Het is eigenlijk wel verklaarbaar waarom Fallada een dergelijk verhaal als uitgangspunt neemt voor zijn machtige slotakkoord. Hij had zich immers voordien behalve met opdrachtwerk voornamelijk beziggehouden met het boeksgewijs verwerken van zijn eigen trauma’s. Nu de autobiografische perikelen aan de kant waren gezet, was volgens de schrijver zelf de ruimte geschapen voor een ‘echte Fallada’. Een roman die het strompelen van de kleine man beschrijft, die een indringend tijdsbeeld schetst, die de atmosfeer voelbaar maakt. (Alsof zijn drie autobiografische werken waarin de zelfspot hoogtij viert, dat niet zouden doen.)

Het echtpaar Hampel wordt in Alleen in Berlijn opgevoerd als Otto en Anna Quangel. Zij wonen in een trappenhuis in de Jablonskistraat (In het echt Amsterdamerstrasse.) waar eigenlijk een dwarsdoorsnede van de Duitse bevolking huishoudt. De familie Persicke is ernstig nazi-gezind. Twee zonen bij de SS en de puber Baldur die als Hitlerjugend-leider voorbestemd lijkt te zijn voor een grote rol binnen het systeem. Hij bezoekt zelfs een Napola, een school waar de toekomstige elite van het Groot Duitse Rijk wordt opgeleid. Uiteraard gedraagt hij zich vol overtuiging als het prototype van een übermensch.

Verder wonen er nog een gepensioneerde rechter, een oude Joodse vrouw – ja, voor hoe lang nog, haar man is al afgevoerd – , een eenzame weduwe en de postbezorgster Eva Kluge. Haar man, de gesjochte Enno, heeft ze allang het huis uitgezet. Hij houdt van vrouwen, gokken op paarden en een drankje op zijn tijd. Iemand die er op zijn werk de kantjes van afloopt. Eigenlijk dus ook een kleine verzetsheld. Zoals velen in dit summum van romanvertelkunst een ontregelende rol spelen. Ene Barkhausen is een andere klaploper, een kleine spion en geboren verliezer, die samen met zijn de hoer spelende vrouw Otti en haar (zijn?) vijf kinders op de begane grond in het achterhuis vegeteert.

In de door de uitgeverij Aufbau gekuiste versie waren de Quangels vanaf het begin zogezegd van onbesproken gedrag. Maar het is juist vele malen waarachtiger dat Fallada ze in eerste instantie kenschetst als meelopers van het regime. Helden worden niet geboren, maar ontstaan geleidelijk. Het hoofdstuk waarin Anna Quangel zich heel kordaat van haar lidmaatschap van de nationaalsocialistische Vrouwenbond ontdoet, is in Alleen in Berlijn weer opgenomen. En ook het partijlidmaatschap van postbode Eva Kluge wordt niet verzwegen. Het maakt hun daden nadien grootser. Eva bijvoorbeeld zegt haar lidmaatschap en haar baan op en verdwijnt naar familie op het platteland om daar de aarde te bewerken. Ze wil niet meer meewerken aan het systeem en wordt daarover natuurlijk uitgebreid verhoord. Het is prachtig om te lezen hoe de kleine burgerlijke ongehoorzaamheid de kopstukken van het regime uit het lood doet slaan. De drankzuchtige, brullende en er op los timmerende moloch die bang is voor een kleine man. Een onooglijk kereltje dat maar net aan kan schrijven. Koste wat kost moet dat varken gearresteerd en berecht worden. En daarbij aarzelen de arische kameraden ook niet om iemand uit de eigen gelederen te slachtofferen. De commissaris van de Gestapo, belast met het onderzoek naar de kaartschrijver, gaat na het uitblijven van succes, net zo goed naar de kelder waar de klappen vallen.

Her en der, zij het spaarzaam en dus waarschijnlijk waarheidsgetrouw, druppelt wat menselijkheid in de roman. Een bewaker staat oogluikend wat toe. De commissaris die ernstig begint te twijfelen aan zijn werk. Die zich, nadat hij Quangel alsnog heeft gearresteerd, plots realiseert dat de kleine Otto de enige oprechte en fatsoenlijke persoon is in het gezelschap. Dat hij waardiger is dan al zijn kwelgeesten. Otto en Anna komen dankzij de kleine verzetsdaad weer tot elkaar. En in de gevangenis, waar Otto een cel deelt met een verfijnde musicus, leert hij schaken, van muziek genieten – Bach, Beethoven en Mozart worden zachtjes geneuried, buiten het gehoor van de bewakers – en een vorm van wellevendheid die hem daarvoor vreemd was. Een zekere loutering valt hem ten deel. En ook Anna Quangel komt dankzij de betoverende ingrepen van Fallada tot rust.

Tijdens de dagenlange verhoren heeft Anna per ongeluk de naam van de gewezen vriendin van haar gesneuvelde zoon Ottootje genoemd. (In werkelijkheid was de broer van Anna Hampel in Frankrijk gesneuveld.) De barbaarsheid wil dat zij én haar man ook geslachtofferd worden. Voor een misdaad die ze niet hebben begaan. Terwijl papa Persicke, een gewezen kroegbaas, zijn eigen beste klant, uit de partijkas heeft gestolen maar dankzij bemiddeling van zoon Baldur weer in genade wordt aangenomen. Al zet hij de oude dronkaard wel voor het leven vast in een kliniek. Familie bestaat niet. Alles voor de partij!

Fallada eindigt zijn schrijven (en zijn leven) met een positieve noot. Een van de zoons van Barkenhausen wordt door Eva Kluge op het platteland gered.

‘Maar we willen dit boek niet beëindigen met de dood. Het is opgedragen aan het leven, het leven dat onoverwinnelijk is, het leven dat altijd weer triomfeert over smaad en tranen, over ellende en dood. [ … ] Want een mens zal oogsten wat hij gezaaid heeft, en de jongen had goed graan gezaaid.’

Fallada heeft met deze laatste roman wederom gezaaid, het is aan de lezer om het gloedvolle, hoopgevende, humoristische oeuvre van deze magistrale verteller tot zich te nemen.