Alles goed? van Joseph O'Connor
Recensie door Guus Bauer (28 januari 2013)
De Ierse schrijver Joseph O’Connor, vooral bekend van de succesvolle reisroman Stella Maris, is een meester in het schrijven van dialogen. Of eerder, om met de hoofdpersoon Cian Hanahoe in zijn nieuwste boek Alles goed? te spreken: een auteur die in staat is om te tonen wat zich écht afspeelt achter het masker van de tweegesprekken.

Cian loopt inmiddels tegen de veertig, is gescheiden en na ‘een incident’ tijdelijk in een kliniek terecht gekomen. Wat er precies gebeurd is, laat de tekstbouwer O’Connor nog even in het midden. In elk geval heeft Cian zijn toppositie bij een bankinstelling eraan gegeven om een beetje in de pr van dat bedrijf mee te werken. Hij mag het kalmpjes aandoen van zijn ‘begripvolle’ baas. Onderdeel van zijn therapie is het opschrijven van jeugdervaringen. Het geeft de schrijver de mogelijkheid om terloops de hoofdpersoon in elkaar te zetten.

Catherine, een jonge Engelse vrouw, komt als medewerker van een productiebedrijf filmlocaties bekijken in Ierland. Cian is haar contactpersoon. ‘Volgens de kranten hier zitten jullie ergens tussen pedofiele priesters en corrupte politici in, qua populariteit.’ Aldus Catherine wanneer ze het over het bankwezen heeft. Het is het begin van een periode aftasten, aantrekken en afstoten. O’ Connor weet dat zo goed te beschrijven dat je het verhaal gewoonweg niet los kan laten. De twijfel zorgt voor een sfeer van lichte gekte. Een relatie die maar niet echt wil doorzetten. De kameraadschappelijkheid, het vertrouwen, de erotiek komen en gaan zonder waarschuwing. Voeg daar de bijna genetisch bepaalde verschillen tussen een Dubliner en een vrouw uit Londen bij en eens te meer wordt duidelijk hoe complex ‘de moderne mens’ eigenlijk is.

De schrijver buit dit gegeven uit. Hetgeen ook tot grappige scènes leidt. Catherine spreekt een paar woorden Iers. Cian barst in lachen uit. Waar zij Als je me even wilt verontschuldigen denkt te zeggen, zegt ze feitelijk: Zou je met me over de sloot willen gaan. Een aloude Ierse invitatie tot buitenseks.

‘Hoe zeg je “Stelletje klootzakken” in het Iers?’
‘O, da’s gemakkelijk, “Zootje Engelsen.” ’


Langzaam ga je je als lezer met Cian ergeren aan de afstandelijkheid van Catherine. Ze spreekt zichzelf hardop toe als ze iets van een ander te weten wil komen. ‘Schei uit met dat gehengel, Catherine. Hij vertelt het wel uit zichzelf, als hij dat wil.’ Op die manier kan alles wat ze doet als een grapje worden afgedaan. Catherine kan zich geen moment echt blootgeven en in de loop van de tekst wordt duidelijk dat dit eigenlijk ook voor Cian geldt. De onmogelijkheid van een relatie. Er zijn teveel strategieën om elkaar ook maar een beetje te leren kennen. De vader van Cian verwelkomt de Engelse met de volgende zinsnede: ‘Wij zijn niet het beste volk ter wereld, maar we zij wel het beste in onszelf zijn.’ Juist, ja.

De tekst eindigt met en rouwrede uitgesproken bij de begrafenis van de vader van Cian. O’Connor maakt hier handig gebruik van door een beknopte kritiek te leveren op de Ierse (recente) geschiedenis. Hij kaart een hoop zaken aan die verwijzen naar zijn eigen jeugd in het begin van de jaren zeventig.

Er treedt in eerste instantie wat verwarring op. Op het omslag van het boek staat ‘roman’, het persbericht heeft het over ‘novelle’ en uit het colofon blijkt dat deze tekst het hart is van een verhalenbundel, die alhier in een later stadium als e-book te verkrijgen is. Het dondert niet, de tekst heeft alles in zich om voor roman door te kunnen gaan, ook wat lengte betreft. Het hier als zelfstandig werk presenteren is een voltreffer. Enerzijds kunnen nieuwe lezers kennismaken met een echte verhalenverteller, anderzijds kunnen de fans alvast genieten van een volwassen voorproef.