Alles is voor even van Kees Ruys
Recensie door Ezra de Haan (10 april 2013)
Het paradijs bestond door hetgeen achter mij lag

De rol van een biograaf is die van een ondergeschikte, zijn product het levensverhaal van een ander. Kees Ruys heeft zich, zoals het hoort, dienend opgesteld en toch is de biografie Alles is voor even die hij over Aya Zikken schreef, een levensverhaal geworden waarin de biograaf meer op de voorgrond treedt dan normaal het geval is.

Aya Zikken moet zich bewust zijn geweest van de bijzondere verhouding die ze met Kees Ruys had. Ruys, zelf een schrijver met een imposant oeuvre dat zich meestal in Indonesië afspeelt, voelde zich verwant met de wijze waarop Zikken haar oude thuisland en ook het nieuwe Indonesië beschreef. In 1984 stuurde hij haar zijn eerste brief. Er ontstond een vriendschappelijk contact dat tot aan de dood van de schrijfster voortduurde. Ruys kreeg toegang tot al haar dagboeken en correspondentie, las alle boeken die Zikken schreef en sprak urenlang met haar. Een ideale situatie voor een biograaf zou je denken…

Tot Aya Zikken Ruys duidelijk maakte ‘niet veel te zien in diepgravende gesprekken met familieleden, vrienden, kennissen of anderen uit haar omgeving.’ Er ging dus een streep door alle levende bronnen. De biograaf moest het doen met ‘twee volle ladekasten en tientallen dozen, plastic zakken en kantoormappen: een intieme zee aan brieven, dagboeken en notitieblokjes, foto’s, dia’s en geluidscassettes, manuscripten, dummy’s, uitgewerkte interviews, recensies, boekcontracten, posters, eerste drukken en talloze andere parafernalia.’ En de gesprekken met de schrijfster zelf. Het leverde een biografie van 850 pagina’s op. Ook voor de 93-jarige Zikken moet het boek van groot belang zijn geweest. Ze overleed vier uur na de presentatie van Alles is voor even.

Het verhaal wil dat Aya Zikkens eerste boek, de novelle Het godsgeschenk onbegrepen (1953), uit verveling in bed werd geschreven toen ze griep had. Het boek veranderde haar leven compleet. In vijf jaar schreef ze vier boeken, waaronder de Indische en haar succesvolste roman De atlasvlinder (1958). Het boek beschrijft het leven van een kleine koloniale gemeenschap op een buitenpost in Indië door de ogen van een dromerig, vroegwijs meisje. Aya Zikken streefde een compromisloos schrijverschap na. Daarin slaagde ze door ‘ergens te wonen waar je niet schrijft en ergens te schrijven waar je niet leeft.’

Tussen 1980 en 2007 publiceerde ze vijftien titels en reisde ze elf keer lang door de tropen. Ze was, zoals veel schrijvers, een buitenstaander die graag een binnenstaander had willen zijn. Misschien ontstond dat gevoel buitenstaander te zijn al in haar jeugd. Tussen haar zevende en negentiende levensjaar woonde zij met haar zus en ouders in Nederlands–Indië. Haar vader was hoofdonderwijzer bij het gouvernement en moest, volgens gangbaar koloniaal beleid, elke twee jaar ergens anders worden aangesteld. Iedere nieuwe standplaats betekende afscheid nemen van vrienden, kamers, huizen en omgeving. Wellicht wilde de jonge Aya daar iets tegenover stellen en begon ze te schrijven. Alleen zo kon ze het vluchtige, vliedende, blijvend bewaren. Die eerste pijnlijke ervaringen van verlies moeten haar persoonlijkheid vorm hebben gegeven. Het rusteloze bleef, net zoals het observerende. De titel van de biografie, Alles is voor even, is daarom ook alleszeggend.

De biografie over Zikken biedt, door de compositie die Ruys eraan gaf, niet alleen haar levensverhaal maar ook een uniek tijdsbeeld. Eerst beschrijft Ruys kort en zakelijk wat zich in het leven van Zikken afspeelt, dan volgt een fragment uit een dagboek of brief. Als voorbeeld hiervan citeer ik fragmenten uit hoofdstuk 6 waarin Aya Zikken haar eerste boek schrijft. We leren haar kennen als echtgenote, als vrouw van haar tijd en als schrijfster.

‘In de herfst van 1952 kregen Frans en de kinderen om de beurt griep. Nadat ze hen een voor een had verzorgd, besloot Aya dat het tijd werd om zelf óók eens een paar dagen ziek te zijn. Ze riep de hulp in van een vriendin en kroop in bed. Na een halve dag naar het plafond gestaard te hebben, pakte ze een balpen en een schrift en begon te schrijven. Drie dagen later sloeg ze het schrift dicht en stapte met een opgeruimd gevoel uit bed.

Ik schreef in één ruk door, waarschijnlijk met een nu-of-nooit-gevoel, en heb nauwelijks iets aan het verhaal veranderd. Ook later niet meer, trouwens. Ik zette er een titel boven en vroeg Frans of hij het wilde lezen. De volgende ochtend vond ik het schriftje op de eettafel met de notitie: “Heel geschikt voor een debuut.”
Een debuut? Aan een mogelijke publicatie had ik absoluut nog niet gedacht. Toen we het er ’s avonds over hadden, vond ik het idee nog steeds wat overmoedig.
Aan “een schrijverschap” dacht ik volstrekt nog niet. Ik zag er in de eerste plaats een kans in om zelf iets te gaan verdienen. Frans liet me in veel opzichten vrij, maar op financieel vlak lag dat toch wel wat anders. Ik wist überhaupt niet wat er maandelijks aan geld binnenkwam. In die tijd was dat nog heel gebruikelijk: de man zorgt voor het inkomen, de vrouw krijgt huishoudgeld. Ik weet niet of ik naar verhouding veel of weinig kreeg, maar kleding kon ik er bijvoorbeeld niet van kopen.

Van de Arbeiderspers, waar ik mijn novelle het eerst naar opstuur, krijg ik een briefje met het verzoek te komen praten. […]Ik ben voor bijna alles bang geweest, zoals Vasalis al schreef. Ik ben bang voor hoge stadgebouwen die ver uitsteken boven mijn rijtjeshuis in Amstelveen. Ik ben bang voor mensen die misschien nooit Paul van Ostaijen hebben gelezen en aan wie ik zal moeten uitleggen waarom mijn novelle de titel Het godsgeschenk onbegrepen heeft gekregen.’


Reinold Kuipers van De Arbeiderspers is enthousiast over de novelle. ‘Dit is een heel goed geschreven verhaal maar een enkel goed boek is niet genoeg. Het moet een heel oeuvre worden.’ Na verschijning is de reactie van de critici heel divers. Bordewijk zag eerder een romanschrijver in haar. Hij schrijft: ‘Zij boort zelfs zielkundig diep en als zodanig is de eersteling bepaald een fenomeen.’ Jan Greshoff vat zijn kritiek samen in een zin. ‘Een gezochte geschiedenis, een schijnmensenkennis, het voorbeeld van overbodig geschrijf.’ Het mag duidelijk zijn dat Bordewijks mening hout sneed.

Wanneer een paar jaar later De atlasvlinder verschijnt, zijn de kritieken juichend. Hoogstens merkt men, zoals Kees Fens, op: ‘Aya Zikken vergt soms te veel van haar lezers. In haar wijze van vertellen, die meer aanduidt dan verklaart, verschuift de grens van het zichtbare soms te ver: verhoudingen en figuren vervagen dan.’ Anne Wadman noemt het boek ‘een van die boeken die men beslist twee of drie keer achtereen moet lezen.’ Rob Nieuwenhuys weet exact de woorden te vinden die bij het boek passen: De atlasvlinder bezit iets van dat volmaakte en tevens van het eeuwige, dat ons allen dichterlijk en weemoedig maakt bij de terugblik naar het verre verleden, toen alle werkelijkheid nog uit wonderverhalen bestond en wij die wonderen konden beheersen.’

Eigenlijk komen in Alles is voor even twee schrijftalenten met een gemeenschappelijk liefde, die voor Indonesië, samen. Aya Zikken heeft het oude Nederlands-Indië nog meegemaakt, Ruys probeert het weer tot leven te wekken. Beiden willen het beschrijven zonder in larmoyante nostalgie te verzinken. De titels van Ruys spreken voor zich: Een afgedragen huid (1986), Javaanse brieven (1992) De randgebieden (1998-2007), Hotel des Indes (2009). Dat Kees Ruys schrijven kan, weet de liefhebber. Met deze biografie laat hij zien ook dit genre te beheersen. Zijn regels te lezen is puur genot. De 23 pagina’s lange brief aan Aya Zikken waarmee het boek besluit zie ik dan ook als het verbindingsstreepje tussen de twee oeuvres. De brief beschrijft de reis naar haar jeugd die Aya Zikken nog wel wilde, maar niet meer kon maken. Het is ook een voortzetting van het langzaam uitdijende oeuvre van Ruys. Proza dat om vervolg vraagt, liefst met veel, véél meer pagina’s.

‘Ik besloot maar aan te nemen dat dit inderdaad het kerkhof was en liep terug naar de overkant, waar volgens jouw instructies “de laan met de kapokbomen” moest beginnen: “Een licht dalende weg die naar een splitsing voert waar je in één oogopslag zowel de school als ons oude huis kunt zien.” Ergens langs die weg zou ook de sociëteit hebben gestaan waar jij je toneeldebuut als fee beleefde en je moeder liederen van Schubert zong.

Een eindje verder naar het westen vond ik inderdaad een licht aflopende straat met hoge, naar elkaar toe neigende bomen, maar die leek me wat te smal om een “laan” genoemd te kunnen worden. En zoals je weet kan ik geen eik van een linde onderscheiden, laat staan dat ik weet waaraan ik een kapokboom kan herkennen. Zonder overtuiging liep ik toch maar verder, hopend op een zijstraat die me op zijn minst een blik op de rivier zou bieden. Als ik die gevonden had, zou het immers vrij eenvoudig worden, want dan zou ook ik de brug zien die je op je plattegrond hebt aangegeven.’


Schrijven over iemand met wie je bevriend bent, zestig dagboeken en een paar duizend brieven lezen, een oeuvre dat uit 31 boeken bestaat doorgronden; het schrijven van Zikkens biografie moet voor Kees Ruys geen sinecure zijn geweest. Toch lees je zijn enthousiasme aan iedere regel af. Wellicht omdat hij de liefde van Zikken voor Indonesië zo goed begreep. Hij reisde haar na, bekeek de plekken van haar ‘paradijselijke jeugd’ op Sumatra en gunde zich als biograaf de vrijheid die ervaringen, nota bene in een brief aan Zikken zelf, op te nemen als laatste hoofdstuk in de biografie.

Alles is voor even is daardoor een heel persoonlijk boek geworden. Aya Zikken komt tevoorschijn zoals ze dat zelf wilde, terwijl Kees Ruys al zijn schrijverstalent heeft ingezet om er meer van te maken dan een hagiografie. Het eindresultaat is een boek dat er wezen mag. Zikkens hele oeuvre komt ter sprake. Haar leven was bewogen genoeg en zorgt ervoor dat de lezer blijvend geboeid tot de laatste pagina doorleest. Alles is voor even is de biografie geworden die Aya Zikken verdiende: een gedenksteen met het patina dat alleen door het voortschrijden van tijd ontstaat. Ruys veegde het mos eraf en toont ons de schoonheid ervan.