Anders van Andreas Steinhöfel
Recensie door Guus Bauer (26 juli 2016)
We zijn al jaren gewend dat alles in hokjes wordt geduwd. Makkelijk voor de marketing, voor de boekhandel en voor de lezer. Maar soms vervagen de grenzen ook weer. Steeds meer titels die onder de noemer Young Adult worden gepresenteerd, vinden hun weg naar de volwassen lezers. In het geval van Anders van de Duitse schrijver Andreas Steinhöfel (1962) is dat ook terecht. Steinhöfel vermijdt de valkuil van de uitleg, zet de lezer aan het werk, zorgt met abrupte overgangen en onverwachte perspectiefwisselingen dat je behoorlijk bij de les moet blijven.

Het is goed wanneer de schrijver vertrouwen heeft in de vermogens van zijn publiek. Bovendien sluit het aan bij de gesteldheid van hoofdpersoon Felix, bij zijn afdwalende geest, bij zijn leven zonder herinnering, bij zijn wereld tussen droom en nieuwe werkelijkheid.

Felix is precies elf jaar oud wanneer hij, thuisgekomen van school, wordt getroffen door een metalen cijfer – een 1 van pakweg zeventig centimeter hoog, behorende bij de versiering voor zijn verjaardag – die zijn bijgelovige vader juist op dat moment per ongeluk van het dak af laat glijden. Tot overmaat van ramp rijdt zijn moeder hem vervolgens ook nog eens aan. Hij belandt in een coma, een coma, zo weten we al snel, dat na 263 dagen eindigt. Exact de tijd dat zijn moeder zwanger van hem is geweest. Een medisch wonder, een tweede geboorte. Hij is met recht een nieuw mens en wil dus ook een nieuwe naam. Voortaan heet hij Anders. Hij voelt zich ook anders, wat wereldvreemd soms.

Steinhöfel zet een geloofwaardig scenario neer, zowel wat betreft de comateuze toestand als de onwennigheid van de ‘nieuwe mens’, de onwennigheid ook van de omgeving, van de ouders, van de kring van vriendjes. Maar daar blijkt wat het laatste groepje betreft een dwingende reden voor te zijn. Ze dragen een geheim met zich mee. Felix heeft zijn mond daarover gehouden, net als zijn twee vriendjes gezworen hebben niets te zeggen over hun daad, die de kwajongensstreek ver overstijgt. Het is de vraag wat Anders zal doen. Is hij immers niet veranderd. Zal hij alles opbiechten? Wat doet hij bij die oude leraar in dat afgelegen huisje, bij het slachtoffer dus. Er is de jongens veel aan gelegen dat Anders zijn geheugen niet terugkrijgt.

De vader van Anders worstelt ook met de nieuwe situatie. Hij verbindt het met zijn eigen angsten. Het feit dat de wereld zomaar ineens kan veranderen, dat er niets of niemand is die betrouwbare informatie kan verstrekken. De ouders zijn voor de jongen immers ook vreemden. Die weerloosheid treft de vader ook, iemand die zenuwachtig wordt van priemgetallen (11!), van alles wat niet goed deelbaar is. Maar aan de andere kant geeft het hem de mogelijkheid om al zijn fouten met Felix goed te maken. Om zijn zoon te leren kennen zoals hij echt is. Een enorme tweede kans. Zal hij die grijpen, of valt hij in herhaling? Maar waarom blijft hij dan proberen om een mysterieus bestand te openen in zijn zoons computer. Wil hij alleen behulpzaam zijn, of is hij toch bang dat er iets gebeurd is dat aanleiding is geweest tot het ongeluk, lag het als het ware al besloten in de sterren?

Anders heeft ondertussen verbazende nieuwe eigenschappen gekregen. Hij is ongekend acrobatisch, kan over de kleinste richels de meest ingewikkelde sprongen maken. Daarnaast ziet hij de aura’s van mensen en in het bijzonder wanneer iemand ziek is, vlak voor de dood staat. Hij weet klasgenootjes en buurtbewoners de stuipen op het lijf te jagen. Ze vinden hem eng. Hij heeft het namelijk bij het rechte eind. Liever verklaar je als argeloos mens zo iemand voor gek. De doodsengel houdt men het liefst ver weg.

Steinhöfel schetst adequaat de mores van een klein dorp. Zonderlingen niet gewenst. (Al heeft elke gemeenschap er een paar nodig om zich op uit te leven.) De oude leraar is het slachtoffer van een brandstichting, maar wordt – zoals de schrijver het fijntjes zegt: waarom breken met een mooie oude traditie – gemakshalve tot dader gepromoveerd. Met alle isolerende en kwaadaardige gevolgen van dien.

De schrijver heeft het overzicht behouden. Het boek is degelijk in elkaar gezet. Hints worden goed uitgewerkt. Om te zien of Anders ’s nachts buiten ronddwaalt, zet de vader krijtstrepen rond de schoenen in de hal. Ergens middenin het boek zet de jongen heel zorgvuldig zijn secuur afgedroogde schoenen tussen de krijtstrepen die iemand daar heeft getrokken. Een beeld dat het bijzondere observatievermogen van de jongen nog eens onderstreept.

De roman heeft een goede spanningsboog. Het individu komt er uiteindelijk nog net goed vanaf. Voor de jongens is het in elk geval een waarachtige leergang. Ze zullen voortaan naar hun eigen wil leven, niet meer klakkeloos de groep volgen. Een mooie wensgedachte.