Anti-Joodse beeldvorming en Jodenhaat van Chris Quispel
Recensie door H.A. Hofman (23 februari 2016)
Al meer dan tweeduizend jaar zijn Joden slachtoffer van stigmatisering en vervolging. Of de beschuldigingen waar waren, deed niet ter zake. Joden werden gehaat om hun Jood-zijn. Het voorlopig dieptepunt van deze waanzin werd bereikt in de eerste helft van de vorige eeuw tijdens de Tweede Wereldoorlog. De dood van alle Europese Joden bracht de eindoverwinning geen stap dichterbij voor de Duitsers. Sterker nog: de Duitsers onttrokken manschappen en materieel aan het front om dit weer in te zetten voor de massamoord op de Joden.

Chris Quispel onderzoekt in dit goed gedocumenteerde boek het West-Europese antisemitisme. Quispel is universitair docent in Leiden.

Quispel stelt vast dat er een relatie is tussen christendom en antisemitisme. Christenen beschuldigden Joden van de moord op Jezus. Christenen verzonnen kwaadaardige beschuldigingen tegen de Joden. Grote vervolgingen vonden allemaal plaats in West-Europa. Dat vandaag de dag antisemitisme echter nergens zo sterk is als in de Arabische wereld, hangt samen met de legitimiteit van de staat Israël en sympathie voor de Palestijnse zaak. Het West-Europese en christelijke antisemitisme was anders. Het ging over verzonnen beschuldigingen. ‘Het is in West-Europa dat Joden voor het eerst als ras werden beschouwd en dat de aanwezigheid van Joden als een levensgevaarlijke bedreiging werd gezien voor het voortbestaan van de natie. Het heeft uiteindelijk geleid tot de grootste misdaad uit de geschiedenis van de mensheid’ (blz. 16). ‘We moeten naar de relatie tussen christendom en jodendom kijken om de geschiedenis van het Europese antisemitisme te kunnen begrijpen’ (blz. 28).

Het is zeker niet zo dat Joden altijd en overal opgejaagd werden. Er waren landen waar Joden lang in alle rust hebben kunnen wonen. Maar steeds weer zijn er die vreselijke perioden waarin Joden te kampen krijgen met tegenwerking, uitsluiting en vervolging. Steeds weer moeten zij dan een land of een gebied verlaten waar ze een paar generaties hebben kunnen wonen. Zo is de Jood in beginsel toch de zwerver die altijd opgejaagd wordt en nergens kan wortelen. Als hij zijn identiteit wil handhaven, wordt hij niet vertrouwd. Als hij wil assimileren, wordt hij evenmin vertrouwd. De Jood kan het nooit goed doen.

Dat de uitspraken van de grote reformator Luther tot antisemitisme gerekend kunnen worden, wisten we al enige tijd. Maar dat ook Abraham Kuyper behept was met vooroordelen tegen de Joden en zelfs een antisemiet genoemd kan worden, was voor mij nieuw (blz. 201). Het is in beide gevallen dieptreurig.

Na de oorlog drong het maar heel langzaam door tot de publieke opinie wat er met de Joden was gebeurd. De meeste mensen waren met hun eigen slachtofferschap bezig en beseften niet dat hier een overheid van een hoogontwikkeld land geprobeerd had het Joodse ras uit te roeien.

De theoloog Ad Prosman laat in zijn boek De onverwerkte holocaust (2015) zien hoe de christelijke kerk nog steeds wegkijkt van de Holocaust. Deze ongekende ramp uit de menselijke historie heeft niet geleid tot een theologische bezinning op dit gebeuren. Dat is vreemd en zelfs onbegrijpelijk. Deze constatering versterkt de zienswijze van Quispel.

Een paar opmerkingen nog over het boek van Quispel.

1. Het is een feit dat christenen en de christelijke kerk zich schandelijk hebben gedragen jegens Joden. Hoe is het mogelijk dat er zo’n onverzoenlijke haat is opgebouwd jegens Joden? Een haat die zich regelmatig in Europa heeft ontladen in geweld en vervolging. Op deze schuld kan niet afgedongen worden.

2. Toch is het te smal om antisemitisme en christelijk geloof aan elkaar te knopen. Ook zonder christendom bestaat antisemitisme. Jodenhaat is van alle tijden. Het boek Esther, dat in het Oude Testament staat, verhaalt al van ene Haman, raadsman van de Perzische koning, die het Joodse volk wil uitroeien.

3. Ook nu de christelijke kerk naar de marge van de samenleving is gedrongen, is antisemitisme springlevend gebleven. Quispel wijst Voltaire aan als de figuur die de brug heeft geslagen van het christelijk antisemitisme naar het Verlichtingsantisemitisme. De afwijzing is nu niet langer gegrond op het andere geloof van de Joden, maar op het behoren tot het Joodse ras.

4. Daar ligt gelijk een wat kritischer kanttekening bij dit boek: de koppeling tussen christelijk geloof en antisemitisme is te nadrukkelijk. Ik zou het perspectief anders beschrijven: antisemitisme is er vanaf de vroegste tijden tot op heden. En helaas heeft ook de christelijke kerk zich aan antisemitisme schuldig gemaakt. Die vorm wordt in dit boek besproken.

5. Quispel besteedt geen aandacht aan het feit dat haat en vervolging wederzijds zijn geweest. De eerste christenen werden door Joden vervolgd. Lees het Bijbelboek Handelingen er maar op na. Eén van de eerste christenen – Stephanus geheten – werd gestenigd door Joden. De apostel Paulus bracht op zijn zendingsreizen de blijde boodschap van het Evangelie consequent eerst aan de Joden. De Joden konden zijn preken niet verdragen en zochten hem te doden. Paulus heeft verschillende aanslagen maar ternauwernood overleefd. Hij is gestenigd, geslagen, gegeseld, maar steeds weer zocht hij met de beste bedoelingen toch de Joden op en waagde hij zijn leven. Dit gegeven doet niets af aan de schuld van de christelijke kerk, maar het feit dat Joden christenen haatten, is er net zo goed.

6. Quispel zou wat meer oog kunnen hebben voor de verscheidenheid onder christenen. Luther maakte zich helaas schuldig aan grove antisemitische uitlatingen. Calvijn deed dat niet. Quispel noteert het verschil, maar werkt het niet uit. De vijftien regels op bladzijde 101 zijn wel heel summier. Calvijn ging uit van een fundamentele gelijkheid tussen mensen, gegrond op de gemeenschappelijke afstamming van Adam en Eva. Verder bleef het Joodse volk ondanks de afwijzing van Christus in de ogen van Calvijn het volk dat God had uitverkoren. Dit fundamentele gezichtspunt had zijn consequentie voor de tolerante houding die in de Republiek gold ten aanzien van Joden. De calvinistische predikant Jacobus Revius (1586-1658) dichtte zelfs: ‘’t En sijn de Joden niet Heer Jesu, die u cruijsten’. Hiermee nam hij duidelijk afstand van de beschuldiging dat de Joden christusmoordenaars waren. In het vervolg van zijn gedicht constateert Revius: ‘Ik ben ’t o Heer, ik ben ’t die u dit heb gedaan.’ Niet de Jood is schuldig, maar ‘ik’ als ik Christus verwerp. Binnen het Gereformeerd protestantisme is dit een duidelijk aan te wijzen stroming geweest.

Ik moet deze bespreking afronden. Mijn conclusie is dat Quispel een indrukwekkende publicatie heeft verzorgd met een schat aan informatie over het West-Europese antisemitisme. Helaas is het ook een ontluisterend boek geworden. Daarom is er des te meer reden om goede nota te nemen van de gegevens in dit boek. Opvoeders thuis en op school en de overheid in het publieke terrein moeten met kracht optreden tegen alle vormen van antisemitisme.