Anton Tsjechov : een fotobiografie van Peter Urban
Recensie door Guus Bauer (4 januari 2016)
In zijn testament vermaakt Anton Tsjechov (januari 1860–juli 1904) zijn bezit en de inkomsten uit zijn werken voornamelijk aan zijn familie, zijn zuster Maria, koosnaam Masja, voorop. Natuurlijk krijgt zijn vrouw Olga ook een van zijn datsja’s en een flinke som geld, maar na de dood van zijn zuster en moeder dienen de overgebleven gelden en rechten te worden overgedragen aan het bestuur van Tsjechovs geboortestad Taganrog, ‘ten behoeve van de volksontwikkeling’. Tsjechov besluit zijn testament met: ‘Help de armen. Zorg voor moeder. Leef in vrede met elkaar.’ Het is de vraag of na de Oktoberrevolutie van 1917 Taganrog nog veel aan de erfenis heeft gehad. (Tsjechov werd vanwege zijn sympathie voor de gewone man door de eerste communistische machthebbers als aanroeper van de revolutie beschouwd, maar verdween onder Stalin in de ban.)

Uit het zojuist verschenen kloeke werk Anton Tsjechov, een fotobiografie, samengesteld door de Duitse vertaler van zijn werk Peter Urban, blijkt dat de illustere Russische (toneel)schrijver en arts weliswaar over een snijdende spot beschikte, waarbij hij zichzelf niet bepaald spaarde, maar dat hij ook begaan was met zijn medemens. Hij bouwde immers diverse scholen rond zijn eerste landgoed en bleef, ondanks dat hij zich eigenlijk volledig aan zijn ‘minnares’ de literatuur wilde wijden, toch ook bij zijn ‘eega’ de medicijnen.

Urban mag met recht een kenner van de persoon en zijn werk genoemd worden. Het prachtig uitgevoerde ruim 350 pagina’s tellende boek op A-4 formaat is zoveel meer dan een overzicht van bestaande en tot nog toe onbekende foto’s van de schrijver van onder meer de toneelstukken De kersentuin, Drie zusters, Ivanov en Oom Wanja, van in totaal bijna driehonderd prozawerken, voornamelijk korte verhalen, novelles. Die je vaak eigenlijk ook romans kunt noemen, vanwege de lengte, de opbouw, de afgeronde thematiek. Of gewoon omdat de term ‘roman’ ook maar een los-vaste afspraak is.

Het is een uiterst nauwkeurig samengesteld testament, zo goed als van de hand van Tsjechov zelf. De foto’s worden namelijk begeleid door brieven die hij over de desbetreffende periode schreef aan familie, kunstvrienden en veel aan zijn uitgever A.S. Soevorin. Daarnaast zijn er pamfletten afgedrukt, diploma’s, stukken uit kranten, omslagen van eerste drukken, opdrachten in boeken, voorbeelden van de brieven in handschrift, schilderijen over de bezochte plekken van bevriende schilders en van zijn broer Nikolaj en door hemzelf afgewezen passages of korte verhalen. Maar er is niet alleen de twijfel die hoort bij het schrijverschap. Eens te meer wordt weer eens duidelijk dat censuur van alle tijden is. Ook in de Tsaristische tijd moesten teksten voorgelegd worden aan de censor en werden ‘onwelvoeglijkheden’ geschrapt.

Anton Tsjechov, een fotobiografie is een echt koffietafelboek, in de zin dat het meermaals, of eerder telkens weer met een andere invalshoek te bekijken valt. Houdt het in de buurt! Het verdient aanbeveling om eerst eens rustig door de chronologische jaren van de grootmeester te dwalen. Zijn kindertijd in de zuid-Russische provincie, waarbij hij op een gegeven moment alleen achterbleef als student-leraar van de zoon van de nieuwe eigenaar van het door een faillissement van zijn vaders handelsonderneming onteigende huis. Zijn afkomst van vaders- en moederkant wordt uitvoerig belicht. Zijn grootvader was een lijfeigene uit de Oekraïne, die zichzelf en zijn kinderen vrij had gekocht.

Je leert over de sturende werking van zijn studie voor het schrijverschap, het integreren van de wetenschap in zijn literaire werk, over het eerste succes in Moskou en Sint-Petersburg, de reis die hij maakte naar het gevangeniseiland Sachalin, de verschrikkingen die hij daar zag, de volkstelling die hij daar hield, zijn reizen naar West-Europa, zijn landgoederen in eerst Melichovo en later in Jalta. De vele datsja’s die hij kocht en weer afstootte. Maar bovenal wordt fijn gefaseerd duidelijk wat de schrijfomstandigheden waren. Dat hij spijt had van zijn ‘achteloosheid’, het heen en weer worden geworpen tussen twee disciplines. Waar hij steeds naar de bevrijding zocht om waarachtig werk te maken. Hij formuleerde in een brief aan broer Aleksandr, douaneambtenaar en schrijver, zijn schrijfcredo’s – niet die voor de broodschrijverij – maar voor oprechte literatuur. (Origineel en tegelijk zo vanzelfsprekend.) De problematiek rondom publicatie blijkt van alle tijden. Een brief aan A.N. Plesjtsjejev, redacteur bij een tijdschrift waarin Tsjechov publiceerde:

In mijn verhaal komen geen twee stemmingen voor, maar wel vijftien; heel wel mogelijk dat u dit ook drek zult noemen. Het is inderdaad drek. Maar ik vlei me met de hoop dat u er twee of drie nieuwe personen in zult zien die interessant zijn voor iedere intellectuele lezer; dat u een of twee nieuwe situaties zult zien. Ik vlei me tevens met de hoop dat mijn drek enig kabaal zal veroorzaken en het vijandelijke kamp tot schelden zal verleiden. En we kunnen niet zonder dat schelden, want in onze tijd, de tijd van de telegraaf, het theater van Goreva en de telefoons, is het schelden de zuster van de reclame.

Er zijn ontmoetingen met Lev Tolstoj, met Maksim Gorki. Schilders en schrijvers komen regelmatig bij hem logeren. Tsjechov is sociaal bewogen en durft het zelfs op te nemen voor voornoemde Gorki wanneer de toetreding als erelid in de Academie der wetenschappen op keizerlijk bevel nietig wordt verklaard. Hij verzoekt op hilarische wijze zichzelf ook de schrappen als erelid. Ook in de Dreyfuss-affaire neemt hij een duidelijk standpunt in.

Hij heeft al jaren last van zijn gezondheid en overwintert derhalve in Nice, Biarritz of in latere jaren in Jalta. Regelmatig geeft hij bloed op. Een arts die niet gezond is. Hoe verwoord je dat. ‘… een onwettige verbinding met bacillen. [ … ] Met mij is alles in orde, alles behalve één klein ding – mijn gezondheid.’ Zijn conditie hield hij voor zijn familie angstvallig geheim. De tuberculose velde hem uiteindelijk in een hotel in het kuuroord Badenweiler.

Het valt op dat Tsjechov vaak als enige of een der weinigen recht in de camera kijkt, waar de rest van het gezelschap, zeker als het de toneelspelers van een van zijn stukken betreft, nogal opzichtig poseren, zoals in die tijd gebruikelijk. Tsjechov komt heel ongekunsteld over, eigenlijk zoals in zijn brieven. Wat een fijne humor, wat een mooie zelfspot, alles geschreven op een rustige toon, zonder behoefte om te preken. Zijn teksten zijn niet voor niets nog steeds in druk. Het is wat je zou kunnen noemen ‘het Elsschot-effect’. Kraakheldere taal, beroering, die de tijd doorstaat. (Misschien moet dat begrip wel worden herbenoemd.)

Na van het geboortedorp bij de afbeelding van de eenvoudige steen op het graf van Tsjechov te zijn gekomen, kan men in de zeer uitgebreide appendix allereerst de handige chronologie tot zich nemen, waarbij dient te worden aangemerkt dat Tsjechov de Juliaanse kalender hanteerde, die dertien dagen achter loopt op de Westerse kalender. Tsjechov is dus naar Westers idee op 30 januari 1860 geboren en op 15 juli 1904 overleden. Uit de voetnoten die werkelijk elke afbeelding en elke tekst nog eens nader toelichten, blijkt wel hoe zorgvuldig Urban te werk is gegaan. Urban is een ware navorser gebleken. Het categoriseren en in de juiste volgorde plaatsen van de verschillende (foto)documenten moet al een monsterklus geweest zijn, maar het is zoals altijd slechts het topje van de ijsberg, onder water steekt een enorme hoeveelheid research en kennis. Werkelijk alles wat maar enigszins van belang kan zijn, wordt uit de doeken gedaan. Het minste is nog waar bijvoorbeeld de afgebeelde schilderijen nu hangen, uit welk perspectief ze zijn geschilderd, wie de opdrachtgever was en wat voor materiaal er is gebruikt.

Handschriften die bij de eerste blik en ook bij nadere bestudering, zelfs met een loep, niet zijn te ontcijferen – ook niet voor mensen met enige of vergevorderde kennis van het Russisch – zijn in de appendix volledig vertaald te vinden. Werkelijk een schat aan informatie, die eigenlijk uitnodigt om verder te gaan zoeken, om het werk van Tsjechov te gaan (her)lezen. Een uitgebreid personenregister, met uiteraard weer informatie over alle genoemde hoofd- en bijfiguren vervolmaakt deze geweldig uitgevoerde biografie. Tsjechov was mordicus tegen gemeenplaatsen, maar het moet even. De moed van de samensteller en de uitgevers dient beloond te worden. Dit boek mag niet in de kast ontbreken, waarde lezer, waarde bibliothecaris.