Bekentenissen van een dikke man van Lammert Voos
Recensie door Guus Bauer (18 november 2015)
Voormalig Groninger stadsdichter Lammert Voos (1962) doet weer eens van zich spreken. Allereerst met een nieuwe prozabundel, getiteld Bekentenissen van een dikke man. Maar daarnaast ook met een kort na verschijning verzonden mailtje aan vrienden en recensenten waarin hij melding maakt van zijn ongenoegen aangaande de nieuwe publicatie.

Na mijn aanvankelijke vreugde kwam de domper toen ik ontdekte dat de uitgever een aantal correcties en wijzigingen die ik had in de drukproeven niet heeft doorgevoerd. Dat maakt het voor mij een net-nietboek. [ … ] Ik steek er dan ook geen energie meer in. Aangezien ik verder geen zin heb in de poeha van de literaire wereld zou het best eens kunnen dat een volgende proza-uitgave in eigen beheer komt.

Denk nu niet hier met een onverbeterlijke zeurkous te maken te hebben, een (meer dan doorsnee) zwaarmoedig mensch of een uitgave vol met gigantische hiaten. Een enkel slordigheidje valt te bemerken, maar voor de rest is het weer fijn Voos allemaal. Verhalen vol met het voor deze Groningse dichtbeer zo typerende sympathieke slachtofferschap. Een gemoedstoestand die min of meer overerft is. Al op de eerste pagina spruitlucht de protagonist – laten we die Lambrusco noemen – zijn ongenoegen over de kleinburgerlijke opvoeding in de jaren zestig, zeventig.

… ze hingen aan hun slachtofferschap als aan een reddingsboei, hun rancune richtend op elkaar, hun nageslacht en de rest van de familie.

De adolescent zet zich lekker af, een ander haarkleurtje, een ruig bandjesleven, het opbouwen van een ‘gevaarlijk’ imago. Veel verwachtingen, maar die blijken zoals altijd in retrospectief nauwelijks ingelost te zijn. Hoe sta je te kijk als je ontdekt dat je verwekker, degene op wie je beslist niet wilt lijken, krantenartikeltjes over je ‘ruige’ optredens uitknipt en bewaart. De stiekeme trots is natuurlijk onverdraagbaar. Het kopieergedrag welhaast onvermijdelijk. Pijnlijk om dat te onderkennen, om daarover te schrijven. Het na lange tijd min of meer autobiografisch schrijven over de jeugd is precair. De o zo gevaarlijke valse nostalgie ligt op de loer.

Ook Lambrusco stal geld uit de portemonnee van zijn moeder, bedonderde een verkoopster in een platenzaak om ‘het nieuwe geluid’ maar in handen te krijgen, ook hij had aanvankelijk moeite om zijn houding ten opzichte van de andere sekse te bepalen, maar Voos slaat zichzelf bij dit alles precies genoeg voor de Groningse bakkes zodat het niet alleen te verdragen is, nee, het is gewoonweg lekker. De sfeer van de tijd is schmierend goed verpakt. Voos is en blijft de man van de frappe, van de kleine veel betekenende zin, de korte wending, alles ogenschijnlijk tussen neus en lippen opgetekend in een aanstekelijke stijl.

Van pa mocht ik niet meer mee op schoolreis. Toen ma vroeg waarom niet, antwoordde hij: ‘Je weet toch hoe hij is?’ Pa en ma wisten kennelijk hoe ik was. Wist ik het zelf maar.

De ‘boodschap’ is ook dit keer heus wel aangekomen, heer Allemansvriend. Leve de wrange melancholie.