Bleke Niko van Tomek Tryzna
Recensie door Guus Bauer (24 september 2013)
‘In een spiegel zien wij wat we willen zien. Het filmdoek is andere koek.’

De Pool Tomek Tryzna (1948) blijkt een multitalent. Van oorsprong is hij filmregisseur, scenarioschrijver, schilder en tekenaar. Zijn schrijfdebuut Meisje Niemand, een rasechte opgroeiroman over liefde, jaloezie, trouw en bedrog, was ook in Nederland een doorslaand succes.

In het zojuist verschenen Bleke Niko bejubelt Tryzna opnieuw de jeugd. Het decor is het Polen van de jaren zestig van de vorige eeuw. Niko is een negentienjarige jongen die na het zien van een Franse Nouvelle Vague film, precies weet wat hij wil: hij moet en zal filmregisseur worden. Uiteraard stuit dat op de nodige problemen. Het is al niet eenvoudig om achter het IJzeren Gordijn in de dagelijkse behoeften te voorzien, het verkrijgen van de benodigde apparatuur stuit helemaal op bijna onoverbrugbare problemen.

Heel stoer zegt Niko tegen een uit de gevangenis vrijgelaten schoolvriend, annex verhalenverteller:

‘Ik ben geen personage uit een van je parabels. Ik speel niet in andermans kelders. Ik ben geen jandoedel en ik ben geen edelvolk, geen katholiek en geen Pool, geen van allen. [ … ] Ik ben een Vrije Filmmaker.’

Hij is een (in beperkte kring) verklaarde tegenstander van het stammenpatriottisme en het klassenonderscheid. Van een voor altijd opgelegde levensbeschouwing. Zelfs zijn vaderland kan hem zogenaamd worden gestolen want ‘waar is ware kunst als een volk in slavernij jeremieert en hoogstens een ironisch gezicht trekt achter de rug van de leraar Russisch?’

Hij is een zelfverklaarde (!) narcist, traint dagelijks met halters en gewichten om een reus van een kerel te worden. En passant vindt hij ook nog een nieuwe techniek voor hoogspringen uit. Een geintje van Tryzna dat de absolute scheiding van de werelden aan beide kanten van het Gordijn verbeeldt. We hebben het hier over de rugrolsprong. In het Westen bekend als de Fosbury Flop. De techniek die het hoogspringen voor altijd veranderde.

Enfin, een jeugd vol idealen. Als een gepassioneerde jongeling iets in zijn of haar hoofd heeft gekregen, dan zal het hoe dan ook moeten worden gerealiseerd. Kunt u het zich nog herinneren? Niko weet zijn oudere zus zover te krijgen dat ze op krediet een camera en een bandrecorder aanschaft.

‘Wat mezelf aangaat, ik ben een aan originaliteit lijdende knoeier. Ik had een hekel aan mezelf toen ik ophield kind te zijn en besloot met mezelf de strijd aan te gaan, in weerwil van mezelf te handelen. Op die manier heb ik afgerekend met de wortels van mijn oude persoonlijkheid, terwijl de nieuwe zich nog niet heeft aangediend en ik momenteel in de reet van het niets verkeer en pas bezig ben toe te groeien naar mijn eigen grootsheid, die mij misschien wel nooit zal geworden.’

Een opmerkelijk staaltje zelfinzicht. De onmogelijkheid om in een totalitaire staat je toekomstplannen te verwezenlijken. Maar Niko is een doorzetter. Hij sluit zich aan bij een filmclub, gaat zelfs naar de filmacademie. Iets waarvoor zijn alcoholische vader zijn handen kapot moet werken. Na zijn werk maakt hij in de avonduren nylon jasjes. (Voelt u ze nog kriebelen, die Terlenka overhemden?) Niko beunt bij door af en toe mee te helpen. Zo komt hij aan geld voor de benodigde smalfilm.

Onvervaard, en in die zin is deze hele roman ook weer een metafoor voor het feit dat vrije geesten zich niet laten knechten, gaat Niko met zijn vriend Kuba op pad om filmpjes te maken onder het motto: al doende leert men. Ze dromen ervan om voor een groot buitenlands filmfestival een kortfilm of liever nog een speelfilm in te zenden. Eentje waarvan de censuur de onderliggende bedoeling over het hoofd ziet. Censors hebben in het algemeen geen oog voor de ironie van het leven. Al zien ze tegelijkertijd overal anti-Russische beren op de weg. Alles kan een geheime boodschap zijn. Maar hoe krijg je zo’n rolprent over de strengbewaakte grenzen?

Niko belt de Federatie van Amateurfilmclubs en vraagt hoe hij een film kan aanmelden voor het festival van Pesaro. Dat blijkt alleen via de Federatie te kunnen, maar die stuurt de inzendingen niet door. Een hilarische en tegelijk pijnlijk duidelijke scène, geschreven in de mooi omfloerste taal die men tijdens het communisme diende te gebruiken om de echte pravda duidelijk te maken. De roman wemelt van dergelijke parels.

Dan, alle gebeden worden verhoord, belt op een dag een doktor Wunde(r) uit het Vrije Westen. Hij heeft een afgewezen film gezien op een obscuur amateurfilmfestival. Onder de niet-vertoonde films zit naar zijn zeggen vaak het beste materiaal. Hij gaat de filmclub een 16mm Arriflex BL schenken. Het beste van het beste, een geluidscamera zowaar, niet de in de DDR vervaardigde stomme camera waarmee ze nu werken. Zou het een wrede grap kunnen zijn?

Uiteraard brandt er een ondergrondse strijd los om het ook door de Partij en de Staatstelevisie hevig begeerde apparaat. De leden van de filmclub, een bont gezelschap, je zou kunnen zeggen een totalitair ministaatje, hebben allemaal grootse plannen. Zelfs de geheime dienst komt de leden bezoeken. Ze gaan toch niet Russische kazernes filmen met dat westerse ding?

Bleke Niko is wederom een sterke roman van Tomek Tryzna over de groeipijnen, het wrede lot dat grootse dromen om zeep helpt en de kracht van het geloven in een kunst. De film van het leven. Cinema die mensen doet veranderen. De regisseurs Kuba en Niko, de door Tryzna prachtig neergezette dandy Felix als de getormenteerde schrijver achter de schermen. En de beschouwer die eindelijk zichzelf echt kan betrachten.

‘Toen papa zichzelf had gezien, is hij meteen naar de tandarts gegaan en als hij onderweg niet even de kroeg Bij Michal was binnengegaan, had hij misschien wel een paar nieuwe voortanden laten plaatsen. En ook op ma had het zijn uitwerking. Ze naaide een nieuwe jurk voor zichzelf en ging naar de kapper. En zuslief kreeg een hekel aan de camera. Ze zei dat de camera loog en dat het haar erg speet dat ze dat rotding voor mij had gekocht.’