Bloed op sneeuw van Jo Nesbø
Recensie door Guus Bauer (5 september 2015)
De Noor Jo Nesbø (1960) is een veelzijdig man, hetgeen zich vaak spiegelt in de gelaagdheid van zijn personages in de thrillers die hij schrijft. Hij is opgeleid als econoom, was totdat zijn kniebanden het begaven profvoetballer in zijn geboorteplaats Molde, werkte daarna op verschillende beurzen, startte als zanger/gitarist/componist op zijn tweeëndertigste samen met zijn broer Knut een popgroep, die in eigen land nog steeds heel populair is, en debuteerde vijf jaar later als thrillerschrijver. Kortom, een echte exponent van de post-babyboomgeneratie, die als eerste écht de gelegenheid kreeg om meerdere facetten van het menszijn volledig te exploreren.

In het geval van Nesbø met succes, de band scoorde diverse hits en van zijn thrillers werden wereldwijd rond de vijfentwintig miljoen exemplaren verkocht. Bloed op sneeuw is, de kinderboeken die hij ook schreef niet meegeteld, alweer zijn dertiende policier. Niet zoals vele voorgangers vanuit het perspectief van de inspecteur Harry Hole, een ‘civilised alcoholic’, maar vanuit de solitair Olav, een huurmoordenaar die de opdracht krijgt om de vrouw van zijn baas Daniel Hoffmann te liquideren.

Het is 1977 en uitzonderlijk koud voor de tijd van het jaar. Olav heeft net een andere klus achter de rug en blijft even peinzend staan bij het ineengezakte lichaam, waar de sneeuw het bloed opzuigt, ‘het verstopt, alsof de sneeuw er zelf iets aan had’. Hij heeft voor het eerst iets gezegd tegen zijn slachtoffer. Dat het niet persoonlijk was. Gewoon omdat hij niets anders wist te zeggen en omdat het bijna Kerstmis was. Af en toe heeft Nesbø dergelijke literaire nuchterheid in huis. Zijn stijl is beslist verzorgd. Zijn boeken bewegen zich meesttijds ergens tussen de thriller en de roman in. Tja, heeft de marketing daarvoor niet het genre ‘literaire thriller’ in het leven geroepen?

Olav is bij gebrek aan andere talenten in de expeditie-business gekomen, zoals hij het zelf noemt. Hij kan niet goed autorijden, kan dus geen vluchtauto besturen, hij kan niet ingezet worden voor een overval omdat hij het niet kan verdragen dat de bankmedewerkers nadien psychische problemen krijgen, van drugsdealen moet hij zich verre houden omdat hij volgens zijn moeder, een niet zo geciviliseerde alcoholiste, een zwak en ontvankelijk karakter heeft. Bovendien kan hij slecht rekenen en is hij woordblind. Ook met prostitutie kan hij zich niet bezighouden want hij wordt heel snel verliefd. Kortom een huurmoordenaar met een geweten. Nu ja, in elke geval met een behoorlijk oprekbare moraal.

Aanvankelijk heb je het idee dat Olav een redelijk onderontwikkeld type is, hoogstens ‘streetwise’. Maar hij heeft voor iemand die zo’n beetje gepresenteerd wordt als ongeletterd een wel heel bijzonder zelfanalytisch vermogen en een behoorlijk beeldend idioom. Hier piept de schrijver zo nu en dan wel door de tekst. Het zal het genre eigen zijn, maar soms wordt een en ander ook te veel uitgelegd. (In een en dezelfde zin: een chaise longue, een lange stoel in het Frans, een rare sofa met alleen op het ene korte eind een rugleuning.) Ook de thrillerlezer is niet helemaal van gisteren.

Olav is woordblind maar wordt toch later in het boek gepresenteerd als belezen – dat verklaart tenminste zijn bespiegelingen in het begin – hij blijkt zelfs het gymnasium te hebben gedaan en, een enorme uitzondering met zijn achtergrond, aangenomen te zijn bij een universiteit. Hetgeen hij afwimpelt omdat hij het agressieve bloed van zijn vader heeft geërfd. Dat is in dit boek zo’n beetje het enige dat stoort. De onevenwichtige uitwerking van het hoofdpersonage, maar misschien moet een huurmoordenaar wel dergelijke frictie oproepen bij de lezer.

Je kunt wel sympathie opbrengen voor Olav. Hij volgt een doofstom meisje, dat bij een supermarkt werkt, alleen omdat hij zeker wil weten dat haar molesterende vriendje haar niet meer lastig valt. Zodra hij met haar in de metro staat – op veilige afstand – en het treinstel een bocht maakt met al het gepiep en geknars vandien, fluistert hij lieve woordjes tegen haar, in zichzelf. Een mooi gegeven dat Nesbø later hergebruikt, verschuift. Zoals wel meer op losse schroeven komt te staan. Is het meisje wel doof, is het wel haar vriendje?

Even tussendoor een vertaalfoutje. Olav heeft een van de concurrenten van Daniel geëxpedieerd. Mooie scène met een getuige, een jongetje die zijn halfbevroren handschoen als ijslolly gebruikt. Hij doet het kind niets, drukt hem alleen op het hart dat hij zijn gezicht moet vergeten. Niet erg moeilijk want het kind heeft hem niet aangekeken, bleef gebiologeerd naar het lijk kijken. Olav veegt daarna het holster af en gooit het pistool in het afvoerputje. Hier moet staan ‘handvat’. Tenzij Olav zijn jas uitdoet en zijn holster losgespt. Maar goed, een detail.

Olav huurt een appartement tegenover de residentie van Daniel Hoffmann en zijn vrouw. Hij observeert haar een paar dagen, is al vanaf de eerste aanblik helemaal overdonderd door haar. Zij is de vrouw van zijn dromen, die ook nog eens vrijwel elke middag lastig wordt gevallen door een minnaar met losse handjes.

Eigen initiatief loont, maar is in dit geval uiterst gevaarlijk. Hij besluit de minnaar te doden. Wanneer hij dit aan zijn baas meldt, blijkt hij – ha, een komische noot tussendoor – diens zoon om het leven te hebben gebracht. Nu krijgt hij zelf zijn baas en een meute achter zich aan. Hij besluit de vrouw te redden en wil er samen met haar vandoor. Ze gaat mee, maar blijkt een ongenadige opportuniste.

Bloed op sneeuw is een vlot geschreven thriller met bij tijd en wijlen hilarische ontwikkelingen. Een slachtoffer met een ouderwets maliënkolder onder zijn kleren bijvoorbeeld, die Olav smeekt om zijn gezicht te sparen. Olav onthoudt dat, in zijn voordeel. Met een liquidatieteam dat verborgen zit in doodskisten tijdens een wake. Nesbø is heel bedreven in zijn plots en cliffhangers. Hij presenteert niet één, maar twee eindes. Voor elk wat wils zogezegd, een Hollywoodeinde voor de een, een wat dramatischer slot voor de ander.